Bevel om zaak-Demmink uit te zoeken is meer dan welkom

De beslissing van het Hof Arnhem-Leeuwarden om voormalig secretaris-generaal Joris Demmink van het ministerie van Justitie te laten vervolgen voor verkrachting van twee jongens is opzienbarend. Hij vervulde de hoogste ambtelijke vertrouwensfunctie op het ministerie dat de rechtsstaat aanstuurt. Drie ministers van Justitie lieten geruchten over hem onderzoeken, maar vonden nooit aanleiding voor maatregelen. Sterker, zij stelden zich steeds vierkant achter hem op. Alle vragen werden afgedaan als niet ter zake en eigenlijk lasterlijk. De kosten voor zijn verdediging nam de staat steeds voor eigen rekening. Voor die houding wordt nu een prijs betaald. Hoewel niet politiek bedoeld, heeft het bevel van het Hof aan het Openbaar Ministerie alsnog het gedrag van de oud-topambtenaar in 1996 in Turkije volledig te onderzoeken, dan ook repercussies.

Zijn de rijksrecherche, het OM en de AIVD eerder grondig genoeg geweest? Kennelijk toch niet, als er nu, dankzij een vasthoudende advocaat, een als authentiek beoordeeld stuk opduikt dat Demminks aanwezigheid op de plaats delict, in Turkije, opeens aannemelijk maakt. Waren de drie ministers wel voldoende nieuwsgierig naar mogelijk onaangename feiten over het seksleven van een zeer hoge medewerker op een sleutelpost? Als Demmink inderdaad ooit een zedenmisdrijf pleegde, dan dient ieder die hem de hand boven het hoofd hield bij zichzelf te rade te gaan. Waarna uiteraard openbare verantwoording moet volgen.

Zover is het overigens niet. Het Hof voorspelt een moeilijk onderzoek. Dat zou ook nog snel moeten worden uitgevoerd, „mede” vanwege druk uit de media. Ook dat maakt deze zaak afwijkend. De kwestie-Demmink is voor een groep zeer wantrouwende burgers al jaren het bewijs dat ‘Den Haag’ corrupt is. Rechtspraak, bestuur, media en politiek zouden elkaar uit de wind houden bij het misbruiken van kinderen, het aannemen van steekpenningen, eigenlijk bij alles wat verboden is. Vooral op internet werd een bizarre hetze tegen Demmink gevoerd, waarbij het begrip ‘demoniseren’ een understatement is. Geen enkele onderzoeker, van de overheid noch van (serieuze) media, heeft uit alle rumoer rondom de man ooit enig relevant feit kunnen zeven dat hem in verlegenheid kon brengen. Alleen de royale horecanota’s die Demmink in rekening bracht, bleven op de zeef liggen. Het bevel aan het OM om de Turkse zaak nu (wel) grondig uit te zoeken is dan ook meer dan welkom. Hier treedt een correctiemechanisme van de rechtsstaat in werking, dat ook de meest geharde samenzweringsdenker tot enige reflectie kan brengen. Waarbij steeds geldt dat Demmink onschuldig is tot het tegenovergestelde is aangetoond. Ook hij. Zéker hij.