Alleen de beulen kenden hun namen

Voor ‘Caesar’, de Syrische fotograaf die naar zijn zeggen opnames van duizenden lijken van gemartelde en geëxecuteerde tegenstanders van president Assad maakte, bleven de slachtoffers anoniem. Ze waren slechts gemarkeerd met twee nummers en alleen de inlichtingendienst wist volgens hem welke naam daarbij hoorde. Het ene nummer sloeg op de tak van de inlichtingendienst die zich over de zaak van de vermoorde ‘ontfermde’, het andere was van het militaire hospitaal.

Bij alle slachtoffers was de vaste procedure dat niet alleen Caesar maar ook een justitiële functionaris naar het ziekenhuis werden gecommandeerd, wanneer daar lijken uit de detentiecentra waren gearriveerd. In het ziekenhuis werd een overlijdensverklaring opgesteld dat het slachtoffer, in strijd met de waarheid, daar was overleden aan een hartaanval of aan ademhalingsproblemen. Dat zou te zijner tijd aan de familie worden bericht.

Het doel van de foto’s was volgens de fotograaf voorts bewijzen in handen te hebben dat de slachtoffers niet waren vrijgelaten door de inlichtingendiensten maar waren geëxecuteerd. Hij moest soms wel vijftig lichamen per dag fotograferen. Per lichaam spendeerde hij tussen de vijftien en dertig minuten. De originelen van zijn foto’s moest hij sturen aan ‘de militaire rechterlijke macht’. Later besloot hij zijn beelden ook aan een betrouwbare vriend toe te sturen.

De lijken van de slachtoffers, vertelde hij aan de juristen die hem na zijn overlopen ondervroegen, werden op plaatsen op het platteland begraven.