Rutte meets Poetin

Je ziet het al voor je, bij de Olympische Winterspelen in Sotsji. Wanneer gastheer Poetin richting de Nederlanders schuifelt, breekt premier Rutte het zweet uit. Straks vraagt de Russische president, die rasprovocateur, het echt: zeg, wie is nou die Arthur Japin, over wie ik zoveel hoor? En is jullie koning, het erelid van het IOC, ook erelid van het Nederlandse comité, het COC?

Maar dan blijkt dat Poetin maar één woord Nederlands kent. Chroningen. En ja, hij zegt ook ‘gas’ – maar dat is eigenlijk gewoon Russisch. Een „schone fossiele brandstof”, laat hij vertalen. Ja, dat wist Rutte al. Poetin knipoogt: dan weet jij vast ook hoe je tegen windmolens moet vechten! Ze lachen. De stemming zit erin. Dan vraagt de president of Nederland misschien wat meer Russisch gas nodig heeft, nu de gaswinning uit het Groningenveld minder flexibel is geworden. Hij heeft begrepen dat het kabinet onder druk van de Groningse bevolking (een soort milde Oekraïners, is Poetin verteld) de jaarproductie aan een bovengrens heeft gebonden. Rutte antwoordt dat er ‘leveringszekerheid’ is, ook in de wintermaanden. Moet ook wel, want de doorsnee Hollandse cv-ketel functioneert voorlopig alleen op Groningengas. Gas uit Rusland bevat te veel energie. Maar, glimlacht Rutte vriendelijk tegen Poetin: op termijn krijgen we hoe dan ook meer met elkaar te maken. Dat beseffen we des te meer sinds de persconferentie van collega Kamp in Loppersum, half januari. Ons gas is eindig. Aan de andere kant: als we er wat meer van achter de hand houden, vergroot dat onze speelruimte op de internationale markt. Trouwens, Nederland wil hoe dan ook de ‘gasrotonde’ van Europa blijven. Dus we moeten het wel met elkaar doen, grijnst Rutte tegen Poetin. Geen wonder dat hij persoonlijk in Sotsji is, en met zo’n delegatie.

Als het om energie gaat, hangt alles met alles samen. De meeste politieke partijen hebben dat ook keurig in hun verkiezingsprogramma staan. Klimaatdoelstellingen (CO2-uitstoot terugdringen) en de fossiele brandstoffen die opraken, worden netjes beide genoemd. Sommige partijen leggen de nadruk op de ‘energietransitie’ naar een duurzaam model (D66, PvdA, GroenLinks), anderen hameren op het vermijden van ‘welvaartsoverdracht’ naar het buitenland (VVD). Maar dit is geen harde tegenstelling tussen links en rechts. Gas winnen, energie opwekken en gebruiken vragen alle om vooruitkijken. Nederland moet naar een nieuwe ‘energiemix’, groen is een groeisector, en de geopolitieke context bekend. Grondstofgigant Rusland wordt belangrijker, de VS ontginnen met hun on-Europese frontier-mentaliteit (wel) schaliegas, en Duitsland stort zich Sturm und Drang op de Energiewende.

En Nederland? Hier blijft het energiepolitieke debat verbrokkeld. Vorig jaar was er het Nationaal Energieakkoord. We hoorden over klimaatdoelstellingen en een reeks maatregelen. Dat ging van ‘decentrale energieopwekking’ door de mensen zelf, tot het sluiten van kolencentrales en 18 miljard subsidie erbij voor windmolens – hoewel daar nu juist weinig innovatie van te verwachten is, zeggen critici. Ongeveer tegelijk sneefde de discussie over proefboringen naar schaliegas. Te veel verzet. En nu springt weer het besef naar voren dat er vooruitgekeken moet worden naar het einde van de gaswinning in Groningen, ergens rond 2050.

Hoe dat alles samenkomt in een strategisch idee over onze energietoekomst, dat blijft de vraag. Dat is onbevredigend voor een van grootste politieke kwesties van de komende decennia. Eén overeenkomst valt op: energie is ook emotie. Dat de gasvoorraad in Groningen eindig is, wisten we al. Nu blijkt ook de tolerantie voor de nadelen van gaswinning eindig. De aardbevingen en de schade die de inwoners van de wingebieden hebben geleden, hebben het gas dat al decennia bron van welvaart is, een extra dimensie gegeven: die van bedreiging. Ter plaatse, want er komen meer bevingen. Maar ook bijvoorbeeld de Brabantse gemeenten die zich ‘schaliegasvrij’ hebben verklaard zullen door ‘Groningen’ gesterkt worden in hun wantrouwen. De overheid is kennelijk slecht in het inschatten van „langjarige effecten”.