Column

Is er nog hoop na onze gasblunders?

De zinnen lezen als een bijbels visioen. Maar dit is Sleen (Drenthe), buurtschap ’t Haantje. Het is 1 december 1965, ’s middags. En dan... „Vijftig meter achter de schaftkeet, scheurde het weiland open. Er barstte een straal modder uit de grond van zeker vijftien meter hoog. Wat een kabaal! Alsof je naast een startende straaljager stond.”

De beschrijving van deze blow out staat in het jubileumboek Groningen – gasveld 50 vijftig jaar, dat het ongeluk op zijn beurt ontleent aan Ararat, een boek van journalist en auteur Frank Westerman. Hij had de boorlocatie daags daarvoor nog met zijn ouders bezocht. Zijn vader werkte voor de NAM, de Nederlandse Aardolie Maatschappij, die sinds de eerste gasvondst in 1959 de boringen uitvoerde en de concessie had.

De boortoren, twee motoren, de opslagsilo’s, drie schaftketen, de spoelingstanks, de dieselgeneratoren en vele honderden boorpijpen van elk negen meter lengte verdwenen in het moddergat. Geofferd op de eeuwige gasvelden.

Het gas onder Sleen, Slochteren en wijde omgeving bracht risico’s voor het NAM-personeel en de bewoners, maar ook onmetelijke rijkdom voor Nederland. Ongeveer 250 miljard euro en de teller loopt door. De olieprijsverhoging door Arabische landen in de jaren zeventig van de vorige eeuw én de koppeling van de gasprijs aan de olieprijs én de harde onderhandelingen van de Nederlandse regering voor hogere gasprijzen zorgden voor een financiële ‘blow out’.

Hoe Nederland met de opbrengst van zijn gasvelden is omgegaan, geldt inmiddels als een klassiek voorbeeld van politiek gedreven kortetermijndenken dat al maar voortduurt. Het resultaat: de Grandioos Gemiste Gouden Kans.

Lees het fascinerende rapport dat het McKinsey Global Institute, de denktank van de gelijknamige adviesfirma, eind vorig jaar publiceerde over de manier waarop grondstoffenrijke landen hun ‘gratis’ bodemschatten moeten gebruiken voor het beste resultaat. (Op m’n twitteradres @menno_tamminga staat vanmiddag een internetverwijzing).

McKinsey begint met de drie grootste missers van grondstoffenrijke landen in de 20ste eeuw. Nummer een: de sector en de infrastructuur zijn niet concurrerend en adequaat. Twee: de uitzonderlijke opbrengsten worden niet verstandig geïnvesteerd en/of ze werken corruptie in de hand. En nummer drie: de exportopbrengst van de grondstoffen leidt tot een waardestijging van de lokale munt en maakt overheden gemakzuchtig om langetermijnbeleid te voeren. Als voorbeeld noemt het rapport de Dutch disease, een begrip dat het weekblad The Economist in 1977 bedacht. De Nederlandse economie, ontspoord door gaswinsten, potverteren en de dure gulden.

Zo moest het dus niet.

Wie heeft het volgens de McKinsey-denktank het beste gedaan en is dus een baken voor de grondstoffenlanden in de 21ste eeuw? Noorwegen, het land dat zijn oliewinsten gretig oppotte in een van de grootste staatsinvesteringsfondsen ter wereld en in staat blijkt om olierijkdom te vertalen in langetermijngroei.

Tegen deze achtergrond is de Nederlandse praktijk hoopgevend én verbijsterend. Hoopgevend is het feit dat sommige gemeenten en provincies de opbrengst van de verkoop van hun energie-aandelen (Essent, Nuon) nu wél (deels) in een investeringsfonds stoppen. Met de kennis van nu moeten zij het beter doen dan Nederland het heeft gedaan.

Verbijsterend is de weigering van achtereenvolgende kabinetten om het aardgasbatenbeleid zó te wijzigen, dat het kapitaal niet voortdurend werd gespendeerd. Eerst stookten de baten de sociale verzorgingsstaat lekker warm. Later legde het gasgeld de basis voor asfalt en rails.

Het gas was goud in de grond en is zomaar verdampt.