Heus, er zijn homo’s zonder een slappe pols

foto’s: groot: Dinand van der Wal / Eva van de Wijdeven: SBS6 / overigen: ANP

Met de opkomst van Nederlandse tv-series deed eind jaren tachtig de homo als personage zijn intrede. Verpleger Guus in TROS-serie Medisch Centrum West viel op mannen.

De decennia daarvoor werd de homo in grofweg twee programmagenres vertegenwoordigd: in amusementshows met presentatoren als Albert Mol en Jos Brink, of, vanaf de jaren zeventig, als getroebleerde talkshowgasten die over hun problemen vertelden. Op die manier vonden de eerste stappen in de homo-emancipatie op de Nederlandse tv vooral plaats aan de hand van ‘echte’ mensen en niet met fictieve personages, zoals in de Verenigde Staten.

Makers van tv-fictie worstelden in het begin met het neerzetten van homoseksuele rollen. Want hoe zet je een minderheid realistisch neer, in een genre dat draait om vermaak, sensatie en kijkcijfers?

Verpleger Guus werd geportretteerd als ‘normaal’, maar voor kijkers was dat verwarrend (zie interview rechts). Bij de gevangenisserie Vrouwenvleugel (RTL 4, 1993–95) was de kritiek juist dat de lesbische personages te clichématig waren. In 1996 vond het eerste fictieve homohuwelijk plaats op tv, in de RTL 4-serie De winkel, net als Vrouwenvleugel geschreven door Marjan Berk. Soaps als Goudkust en Onderweg naar Morgen introduceerden ook homoseksuele personages.

Vanaf de jaren negentig vormde seksuele voorkeur in sommige series geen issue, een belangrijke stap in de emancipatie van de tv-homo. De serie In de Vlaamsche pot (Veronica, 1990-94) gaat bijvoorbeeld over een homostel dat een restaurant runt, zonder de geaardheid als kern van het verhaal. Ze zijn een stel, net als zoveel stellen in tv-series.

Shows als deze zijn amusement; opvoeden is niet het doel. Het publiek van tv-series verwacht vermaak en gemakkelijk te plaatsen karakters. Makers volgen deze verwachting; bevestiging van stereotypes ligt op de loer. Denk aan stylist Yari in Gooische Vrouwen (RTL 4), die met een slappe pols, feminiene houding en veel oh my gods door het verhaal danst.

Als het personage verder gaat dan dit veilige stereotype van de gezellige, vrouwelijke homo, ontstaat al gauw verwarring bij de kijkers. Toen GTST drie jaar geleden een vrijscène toonde tussen twee mannen, leidde dat tot een golf van reacties, deels van homofobe afkeer („gadverdamme, ze gaan zoenen vieze homo's #gtst”).

Waar de heteroseksuele liefdesverhaallijn veelal wordt bezegeld met een huwelijk, treft homopersonages vaak een wreder lot. Twee homo’s uit GTST stierven aan het exotische Ebola-virus. Bij Van God Los (BNN) komen in twee afleveringen jonge gays tragisch aan hun einde door een messteek en een vuistslag.

Het aantal homo’s op de Nederlandse tv wordt niet bijgehouden, zoals in de VS wel gebeurt (dit tv-seizoen: 3,3 procent holebi-personages). Wel lijken makers de laatste jaren meer te kiezen voor diepere verhaallijnen met veel nuance, zoals in jeugdserie SpangaS (NCRV) over middelbare scholier Flip. Als helft van een eeneiige tweeling, met een hetero broer, maakt de serie subtiel aan kijkers duidelijk dat identiteit en geaardheid per mens verschillen.

Een ander belangrijk verschil met twintig jaar terug is dat de komst van internet en toegang tot buitenlandse series het aanbod in gay gerelateerde series vergroot, waardoor het niet blijft bij die ene homoseksuele verpleger.