Europese Unie gaat Fransen opnieuw helpen in Afrika

Catherine Samba-Panza, gisteren na haar verkiezing. Haar „eerste prioriteit” is het beëindigen van het lijden in haar land, zei de nieuwe president. Foto AFP

Voor de tweede maal in korte tijd sluit de rest van de Europese Unie zich aan bij een door Frankrijk begonnen militair avontuur in Afrika. Gisteren besloten Europese ministers van Buitenlandse Zaken in Brussel om de Fransen, net als eerder in Mali, militair te ondersteunen in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR).

De EU wil, dankzij spoedprocedures mogelijk al binnen dertig dagen, zo’n 500 militairen sturen. Die zullen hoofdzakelijk worden ingezet voor veiligheidstaken, zoals de bewaking van het vliegveld van de hoofdstad Bangui, zodat de ongeveer 1.700 Franse militairen de handen vrij hebben om elders in het land de vechtende christenen en moslims uit elkaar te halen. De Franse president François Hollande had tijdens de laatste Europese top van regeringsleiders, in december, om zulke steun gevraagd.

Frankrijk greep vorige maand in toen de troepenmacht van de Afrikaanse Unie (AU) in de CAR dreigde te worden overrompeld door de gebeurtenissen. De Europese buitenlandministers verklaarden gisteren „zeer bezorgd te zijn over de extreme onveiligheid en instabiliteit” en de kans dat het conflict overslaat op buurlanden. Tot nu toe hebben alleen Polen en Estland concrete toezeggingen gedaan voor de missie. Beide landen willen zo’n 50 militairen sturen. De missie zal maximaal zes maanden duren.

Litouwen, Slovenië en Finland overwegen deelname. De Frankfurter Allgemeine Zeitung meldde zaterdag dat ook Duitsland dit doet. Griekenland wil het hoofdkwartier van de missie op zich te nemen. Nederland wil geen troepen sturen. De situatie in CAR geldt als veel explosiever dan die in Mali, waar de EU-missie pas op gang kwam toen Frankrijk de situatie al grotendeels onder controle had. De missie daar is ook meer gericht op het trainen van Malinese militairen.

Dat EU opnieuw een Frans initiatief volgt, is veelzeggend. In 2004 werden zogenoemde ‘battle groups’ in het leven geroepen om snel te kunnen ingrijpen in crisissituaties. Maar die troepen zijn nog nooit ingezet, ook nu niet. Een van de obstakels is financiering: de landen in een ‘battle group’ draaien op voor de kosten van eventuele missies gedurende het half jaar dat ze aan de beurt zijn om troepen te leveren.

Los hiervan kan de EU militaire missies organiseren. Op dit moment zijn dat er, inclusief Mali, vier. De bekendste en tot nu toe veruit meest succesvolle is de maritieme missie ter bestrijding van piraterij voor de kust van Somalië. Daarnaast zijn tien civiele EU-missies, zoals in Libië, waarbij het meer draait om het bijstaan van politieagenten, het opleiden van rechters en het helpen bij bestrijding van illegale migratie en mensensmokkel.

Op de top in december spraken de regeringsleiders af om het Europese defensiebeleid meer gewicht te geven. Hollande riep zijn collega’s op om de daad bij het woord te voegen en „solidariteit” te tonen met Frankrijk in CAR. Buitenlandcoördinator Catherine Ashton kreeg de opdracht om de mogelijkheden te onderzoeken. Dat onderzoek lag gisteren ten grondslag aan het besluit om een EU-missie te vormen. Op verzoek van de lidstaten onderzoekt Ashton ook of er een fonds kan komen om toekomstige EU-missies uit te financieren. Het resultaat daarvan wordt over vijf maanden verwacht.