Een geweldloos mirakel

„De Tunesische grondwet is zeker beter dan de Egyptische, maar hij is lang niet zo goed als hij had kunnen zijn”, zegt een Iraakse grondwetspecialist. Foto AP

Toen in 2011 de opstand in Egypte begon, riepen de betogers aanvankelijk in het Frans „dégage!” – „rot op”. Het was een eerbetoon aan de betogers in Tunesië, die net daarvoor hadden gedaan wat niemand voor mogelijk had gehouden: een Arabische dictatuur op de knieën krijgen.

Drie jaar later hebben Tunesië en Egypte binnen een tijdspanne van een week beide een nieuwe grondwet gekregen. In Tunesië werd er gisteravond nog tot laat over vergaderd. Maar de manier waarop beide grondwetten tot stand zijn gekomen is heel anders.

Zowel in Egypte als in Tunesië werden de eerste vrije verkiezingen gewonnen door de moslimfundamentalisten. Maar in Egypte werd in juli vorig jaar een abrupt einde gemaakt aan het presidentschap van Mohammed Morsi. Hij werd afgezet door het leger en de Moslimbroederschap geldt nu als een terroristische organisatie. Honderden aanhangers van Morsi zijn gedood en duizenden zijn gevangengezet.

In Tunesië daarentegen heeft Ennahda, de lokale variant van de Moslimbroederschap, begin deze maand vrijwillig afstand gedaan van het premierschap. De fundamentalist Ali Larayedh maakt plaats voor Mehdi Jomaa, die een regering van technocraten gaat leiden, in afwachting van nieuwe verkiezingen.

Ook ging Ennahda ermee akkoord dat de nieuwe grondwet geen melding maakt van de sharia, de islamitische wetgeving. Daar waar artikel 2 van de Egyptische grondwet stelt dat de sharia de basis is van alle wetgeving, zegt artikel 2 van de Tunesische grondwet: „Tunesië is een burgerlijke staat, gebaseerd op het burgerschap, de wil van het volk en de suprematie van de wet.”

Is Tunesië dan het lichtend voorbeeld voor de Arabische wereld en Egypte het voorbeeld van hoe het niet moet? „Als je beide grondwetten aan een leek voorlegt, zal hij waarschijnlijk het verschil niet zien”, zegt Zaid Al-Ali, een Iraakse grondwetsspecialist met een diploma van Harvard, die de processen in beide landen van nabij heeft gevolgd. „De Tunesische grondwet is zeker beter dan de Egyptische, maar hij is lang niet zo goed als hij had kunnen zijn.”

„Goed is bijvoorbeeld dat Tunesië de rechtspraak echt onafhankelijk heeft gemaakt, maar er tevens over heeft gewaakt dat de rechters wel verantwoording moeten afleggen. Minder goed is dat het bij vage beloften blijft op het vlak van decentralisatie, terwijl het achterstellen van het binnenland juist een voorname drijfveer was van de Tunesische revolutie.”

Vol goede bedoelingen

In het algemeen lijden grondwetten in de Arabische wereld onder een gebrek aan expertise. Ze worden geschreven door politici die het allemaal nog moeten leren maar die niet echt bereid zijn om naar de experts te luisteren.

Het gevolg is dat grondwetten bol staan van de goede bedoelingen, zonder dat die ook echt afgedwongen kunnen worden. Het voornaamste probleem, zegt Al-Ali, is het ontbreken van een beperkingsclausule: die moet verhinderen dat een land wetten uitvaardigt die de grondwet uithollen.

„De Egyptische grondwet zegt wel dat de vrijheid van meningsuiting gegarandeerd is. Maar tegelijk kun je naar de gevangenis gaan voor het beledigen van een rechter of het leger. De veiligheidsdiensten hebben hun eigen regels. De grondwet is ongelooflijk kort over waar politie en leger zich aan te houden hebben terwijl dit land juist een traditie heeft van politiegeweld.”

Het Tunesische mirakel is wel dat de nieuwe grondwet er is gekomen met relatief weinig bloedvergieten, al zag het er halverwege vorig jaar helemaal niet goed uit. Twee linkse politici, Chokri Belaid en Mohamed Brahmi, werden vermoord en veel seculieren legden de schuld daarvoor direct of indirect bij Ennahda.

Toen kwam de coup in Egypte. „Die heeft tot een verlamming geleid”, zegt Al-Ali. „Sommigen in het seculiere kamp droomden van een gelijkaardig scenario: waarom compromissen sluiten als we de fundamentalisten ook helemaal kunnen uitschakelen?”

Er zijn grote verschillen tussen Egypte en Tunesië. Egypte heeft een traditie van inmenging in de politiek door het machtige leger, in Tunesië is het leger eerder zwak en het houdt zich ver van de politiek.

Een ander verschil is dat de strengislamitische salafisten in Tunesië niet hebben meegedaan aan het democratisch experiment. Daardoor was het fundamentalistisch blok er altijd minder sterk. Tunesië heeft ook een lange seculiere traditie en het seculiere kamp is er groter en radicaler in zijn overtuigingen. In Egypte is het weglaten van de sharia uit de grondwet nooit ter sprake gekomen.

Maar uiteindelijk is de les die Tunesië de Arabische wereld heeft gegeven dat het niet onmogelijk is om een compromis te sluiten. Dat compromis is er gekomen dankzij twee mannen: Rachid Ghannouchi, de leider van Ennahda, en oud-premier Beji Caid Essebsi, de leider van de seculiere Nidaa Tounes-partij die nu leidt in de peilingen. Dat Ghannouchi in de gevangenis of in ballingschap zat terwijl Essebsi minister van Buitenlandse Zaken was, bleek een obstakel dat ze toch wisten te overkomen.