De laatste vraag is voor… de ‘Binnenhofnar’

Premier Rutte schrijft voor het handgeschreven blad The Daily Invisible het antwoord op de laatste vraag tijdens de persconferentie, op 7 november 2013. Julius Vischjager neemt het blad in ontvangst.

Julius Vischjager stapt naar de politie, zegt hij. Met zijn jas aan staat hij in de gang van zijn appartement in Amsterdam. „Jij bent helemaal niet van de krant.” Hem moet je niet voor de gek houden. Laatst probeerde iemand dat ook al, die deed zich aan de telefoon voor als de president van Duitsland. „Nou, ik zei tegen hem: dat lijkt me heel sterk, meneer, want die belt geen Joden op zaterdag.”

Opeens barst hij in lachen uit, zijn boosheid schijnbaar vergeten. Hij bedaart, en knijpt zijn ogen tot spleetjes. „Ik vertrouw het nog steeds niet helemaal.” Hij trekt zijn jas uit. „Maar kom toch maar even binnen.”

Julius Vischjager (76) zou eigenlijk een bekende Nederlander moeten zijn. Al zo’n veertig jaar is hij een buitengemeen fenomeen van politiek Den Haag. Al veertig jaar doet Vischjager elke vrijdag opnieuw hetzelfde. Hij doucht, trekt zijn goede pak aan en neemt de trein naar Den Haag. Bestemming: de wekelijkse persconferentie van de minister-president. Want daar is hij degene, al die jaren en nog steeds, die de laatste vraag aan de premier mag stellen.

De Binnenhofnar, noemt hij zichzelf.

Maar nee dus, Vischjager is niet bekend, niet buiten Den Haag. Maar in de hofstad is hij een begrip. Levende traditie is hij, een rekwisiet. Hij vormt een folklore op zich waarover nieuwelingen zich aanvankelijk verwonderen en waar oudgedienden niet eens meer over nadenken. ‘Oh, Julius’, zeggen zij, ‘die was er altijd al.’ Vischjager hóórt bij het Binnenhof.

Zijn geheugen werkt deze dagen niet altijd meer mee. Als er dan verwarring over de tijd van de interviewafspraak ontstaat, wil hij wel even weten wie hij tegenover zich heeft. Daarom heeft hij vanochtend wel zeven keer de klantenservice van NRC gebeld: „Je begrijpt dat ik even verhaal moest halen.”

Als hij dat heeft gedaan, ontdooit Vischjager rap. „Kom maar eens mee naar Den Haag”, stelt hij voor. „Mag best. Jij deugt wel.”

Zijn laatste vraag moet je koesteren

Vrijdagochtend: Vischjager stapt uit de trein op Den Haag Centraal. Op naar perscafé Nieuwspoort, waar de wekelijkse persconferentie van de premier gehouden wordt. Zijn loop laat zich het beste omschrijven als een statige waggel: buik vooruit, hoofd opgeheven. Hij heeft stoppels op zijn kin. Zijn shirt hangt iets uit zijn broek.

Vijf minister-presidenten wist deze man voor zich te winnen. Van Agt, Lubbers, Kok, Balkenende, Rutte – stuk voor stuk maakten ze in hun drukke schema’s tijd vrij voor Julius Vischjager en zijn laatste vraag. Maar waarom?

„Julius is een bijzonder eigenzinnig en kleurrijk exemplaar”, legt premier Mark Rutte uit over de mail. „Zijn onorthodoxe laatste vraag is een typische traditie. Die moet je koesteren.” Wim Kok, premier van 1994 tot 2002: „Ik heb een enorm zwak voor hem, al vroeg hij soms wat veel van mijn tijd.” Jan Peter Balkenende, 2002-2010: „Het is zijn persoonlijkheid.” Ruud Lubbers, 1982-1994, over de telefoon: „Als Julius aan het woord kwam dan brak de hemel open. Dan wist je namelijk dat de persconferentie voorbij was en we konden gaan borrelen. Je had je er weer doorheen geslagen.”

En luister naar Willem-Hendrik de Beaufort (74), die veertig jaar lang de griffier was van de Tweede Kamer: „Het Binnenhof hangt van dit soort rituelen en gebruiken aan elkaar”, vertelt hij. „Curiositeiten die je als buitenstaander nooit te weten zal komen. Julius is daar door de jaren heen een onderdeel van geworden.” Hoe hij dat deed? „Het is zijn charme. Politici, journalisten, vrouwen – hij pakt mensen in en die laten hem dan maar een beetje zijn gang gaan.”

Dat lijkt te kloppen. „Goedendag, meneer Vischjager, hoe maakt u het?” De receptionisten van de Tweede Kamer openen zonder aarzelen de poortjes, zijn pasje hoeven ze niet te zien.

Het is druk in Nieuwspoort. Bekende en minder bekende gezichten scharrelen rond door het klassieke interieur. Ivo Opstelten, minister van Veiligheid en Justitie, loopt verhit bellend voorbij. Even staakt hij zijn gesprek. „Dag, Julius”, bromt hij in zijn kenmerkende bariton, en loopt door. Vischjager glundert.

Wanneer de persconferentie zal beginnen is onduidelijk. Een uur van tevoren krijgt iedereen die iets betekent in Den Haag een e-mail van de RVD. Vischjager haalt zijn informatie achter de bar. „Kan nog even duren, Julius”, zegt barman André van Geene, terwijl hij glazen poleert. Er is tijd voor een broodje. Van het huis, natuurlijk: „Dat hoort zo. Ik werk hier nu 22 jaar en het is nooit anders geweest.”

Vischjager klimt achter de piano. Niemand kijkt op als hij de ruimte vult met stemmig spel.

Af en toe komt iemand een praatje maken, een politicus of een journalist. Wanneer The Daily Invisible weer eens uitkomt, willen ze weten. Dat is zijn handgeschreven eenmanskrant: een dubbelzijdig gekopieerd A4’tje vol politieke curiositeiten, dat al bijna even lang wekelijks verschijnt als Vischjager naar Den Haag tijgt. Bijna, want tegenwoordig kan Vischjager zich er niet meer toe zetten. Zijn geheugen… Maar elke vrijdag opnieuw belooft hij in Den Haag dat het er volgende week écht weer eens van komt.
„Ik ben ermee bezig.” En of hij al weet wat hij zometeen gaat vragen? „Dat zou jij wel willen weten, hè?”

Onherkenbaar als journalist

De Laatste Vraag van Vischjager is een luchtig einde van wat soms best pittige aangelegenheden kunnen zijn. Een signaal dat het weekend in Den Haag begonnen is. „Rituelen zoals deze hebben een stabiliserende werking in de politiek, waar de doorstroom zo hoog is”, zegt oud-griffier De Beaufort. „Daarom worden ze in ere gehouden.”

Wat Vischjager zoal vraagt?

Ik heb u vorige week een boek gegeven. Heeft u het gelezen?’ (3-10-2010)

Die één miljoen kinderen in Syrië, daar kunt u niets aan doen. Maar heeft u nog piano gespeeld in de vakantie?’ (27-9-2013)

Hoe komt de president van Duitsland aan mijn telefoonnummer? Van de RVD?’ (25-11-2013)

Kritische journalistiek is niet waar het om draait. Of, zoals Ruud Lubbers (74) het verwoordt: „Julius Vischjager is net zo onherkenbaar als journalist als The Daily Invisible is als krant.”

Hij is ook geen journalist. Niet écht. Graag haalt Vischjager een grap aan die Lubbers jaren geleden over hem maakte: „Als je een staatsgeheim wil bewaren, dan moet je Julius Vischjager bellen.” Elke keer als hij de anekdote vertelt – en dat is vaak – dan kirt hij van plezier. „Begrijp je? Als ik iets publiceer, dan is geen hond geïnteresseerd.” Maar dat vindt hij wel best zo, verzekert hij. „Ik heb meer vrienden dan lezers.”

Vischjager ziet zichzelf eerder als kunstenaar. Iemand die de boel op stelten zet, waar hij ook komt.

Een lastige jongen

Zijn leven laat zich lezen als een schelmenroman. Als Joods kind in de oorlog werd hij van deportatie gered door een rijke Nederlandse vrouw, van wie hij later „een bedrag” erfde dat „al lang op is”. Zijn ouders overleefden niet.

Hij groeide op in internaten. Was betrokken bij de provo’s. Werd jarenlang gesignaleerd in een knalrode kaboutermantel. Schreef voor Playboy. Beleefde een affaire met een adellijke vrouw in Turkije. Sprak af met Russische dissidenten. Verkeerde een tijdlang in Roemenië, waar de ambassadeur zo van hem onder de indruk raakte dat die Vischjager in zijn dienstauto door het land liet sjezen en tot cultureel attaché wilde benoemen. Toen men daar in Den Haag lucht van kreeg, werd de ambassadeur in kwestie stante pede teruggeroepen.

„Ik was… ben een lastige jongen”, zegt Vischjager, en grijnst breed. „Maar wel een die overal vrienden maakt.”

Hij is pianist. Studeerde af aan het conservatorium in Amsterdam, „met een zuinig zeventje” en de ambitie om een gloedvolle solocarrière te beginnen. Dat pakte anders uit, maar spelen doet hij nog steeds, veel en graag. Elke zondag oefent hij, in zijn eentje, op de vleugel in de Oude Zaal van de Tweede Kamer. Daar heeft hij de sleutel van, die bungelt aan een koord om zijn nek, samen met zijn perspas.

In de jaren zestig begon hij in de journalistiek als politiek commentator bij het tijdschrift Hollands Diep, dat in 1977 ter ziele ging (Vischjager: „Holland was niet diep genoeg”). Het was zijn ingang in Den Haag, al hield hij de reguliere verslaggeving al gauw voor gezien: liever nar dan onopvallend.

Neushoorn of nijlpaard

In Nieuwspoort wordt nog steeds gewacht op het sein dat de persconferentie begint. Vischjager speelt rustig verder.

Chopin, préludes. Achter de piano is hij een ander mens. Zijn eeuwige grijns, die hem een wat afwezig voorkomen geeft, verdwijnt. Hij kijkt somber, pruilt met zijn onderlip. Als hij mompelend bladert door zijn tablatuur, is zijn stem een octaaf gedaald. „Ja, mooi, ja.” Even vergeet hij uit de band te springen.

Een restant daarvan blijft hangen als hij weer opkijkt van de toetsen. Dan spreekt hij langzamer, bedachtzaam.

Maar het duurt niet lang voordat zijn ogen weer ondeugend beginnen te twinkelen. „Weet je wat Ruud Lubbers zei? Als je een staatsgeheim wilt bewaren…”

Het is zijn droom om ooit samen met Rutte te spelen, die ook een begenadigd pianist is. Vischjager stelt het hem keer op keer voor, soms tijdens zijn laatste vraag. Rutte houdt dan beleefd de boot af. „Hij durft niet”, weet Vischjager. „Misschien als hij premier af is.”

Als Vischjager even stopt met spelen, buigt Dominique van der Heyde, politiek verslaggever van de NOS, zich samenzweerderig naar hem toe. „Weet je wat je moet vragen, Julius”, zegt ze zachtjes. „Wij gaan dus naar Mali, hè, met onze militairen. Maar wat betekent dat woord nou eigenlijk: Ma-li. Volgens mij is het neushoorn. Of nijlpaard. Vraag Rutte daar eens naar.”

Frits Wester van RTL geniet intussen nog snel van een sigaretje in het rookhok. Vischjager, geen dag in zijn leven gerookt, gaat er even bij zitten. Gewoon gezellig. „Al een vraag bedacht, Julius?” Die lacht geheimzinnig.

„Om mij heen gebeuren de gekste dingen”, vertelt Vischjager regelmatig. „Margaret Thatcher, bijvoorbeeld, die begreep er he-le-maal niets van. Lubbers introduceerde mij: ‘Mr. Julius Vischjager, chief editor of The Daily Invisible’, en zij, volledig uit het lood: ‘The Daily what?’ Ze dacht dat ze het verkeerd had verstaan, dat het Invincible moest zijn – welke krant noemt zich nou onzichtbaar?”

„Beloof je dat je wat ik zeg nog even controleert?”, waarschuwt hij soms plotseling. Dan kijkt hij ernstig, al geeft hij daarna een schouderklop. „Maar natúúrlijk doe jij dat. Je bent journalist.”

Het voorval met Margaret Thatcher herinnert Ruud Lubbers zich niet precies, zegt die later over de telefoon, maar het zou zomaar kunnen. „Is Julius trouwens nog stééds bezig met die vraag van hem? Dat verbaast me. Ik was een jonge premier, hij geen jonge journalist.”

Meneer Rutte…

Dan is het zover. Mark Rutte is gearriveerd, de persconferentie gaat beginnen. Vischjager komt als laatste binnen in de perszaal. „Er zit iemand op mijn plaats”, roept hij ontsteld. Hij wijst: dáár hoort hij te zitten, op de eerste rij. De verslaggever van Nu.nl lijkt niet van plan te bewegen. „Aaaah, journalisten.” Mopperend baant Vischjager zich een weg door de klapstoeltjes, dan maar een rij verder.

Hij zit nauwelijks, of Rutte treedt binnen en neemt plaats achter het katheder. „Goedemiddag allen. Het kabinet heeft vandaag gehoor gegeven…”

Vischjager graait intussen in zijn boodschappentas. Hij vist er een pen uit en schrijft een geheugensteuntje voor zijn vraag van straks.

Hij is er niet op uit om het de premier moeilijk te maken. Integendeel, zijn band met Rutte is hem het dierbaarst van alles. Soms gebeurt dat toch.

Eerder dit jaar bracht Vischjager de premier flink in verlegenheid met een vraag over de Hollandse Schouwburg, een gebouw dat in de oorlog gebruikt werd voor de deportatie van duizenden Joden in Amsterdam – en waar Vischjager als kind uit werd gered. „Eh, in Haarlem?”, reageerde Rutte. Vischjager: „U bent toch historicus?” Rutte: „Ik sta met mijn mond vol tanden.” Die opmerking haalde breed het nieuws.

Rutte ratelt intussen door. Om beurten krijgen de journalisten het woord voor vragen. Vischjager let goed op. Af en toe maakt hij een foto met zijn cameraatje. Iedereen komt aan de beurt: NOS, De Volkskrant, Elsevier, NRC, RTL, Nu.nl.

„Verder nog vragen?”

Stil.

„Dan gaan we nu over naar de laatste vraag.”

Onrustig schuift Vischjager heen en weer op zijn stoel.

„Het woord is aan de heer Vischjager, van The Daily Invisible.”

Vischjager schraapt zijn keel.

„Meneer Rutte, weet u wat ‘Mali’ betekent?”

Lachend schudt Rutte van nee.

Vischjager: „Het betekent neushoorn.”

Een aantal journalisten grinnikt, de meesten zijn intussen begonnen met het inpakken van hun spullen. Vischjager stapt op het katheder af. Breed glimlachend drukt hij Rutte de hand. Die schrijft op een vel traditiegetrouw zijn officiële antwoord. Dan kan Vischjager dat kopiëren voor in The Daily Invisible – mocht het krantje nog een keer verschijnen.

Wist ik niet – M. Rutte.’ In de ‘R’ heeft de premier een smiley getekend.

Rutte verdwijnt in een kolkende massa woordvoerders en journalisten. Als laatste verlaat Vischjager het zaaltje. „Dat ging goed, hè?”, zegt hij uitgelaten. „Wat vond je ervan? Zag je hoe hij reageerde?”
Bij de bar van Nieuwspoort staan de journalisten in een kring om Rutte heen. Ze praten geanimeerd, lachen om zijn grappen. Sommigen drinken bier, Rutte thee. Vischjager drentelt er wat omheen, maar het lukt hem niet om de blik van de premier te vangen. Hij besluit er uiteindelijk niet tussen te gaan staan.

Gelaten sjokt hij weg van het gezelschap. Naar de piano.

„Wat ik doe is historisch”, zal hij later zeggen. Dit is zijn nalatenschap. „Ik word hier over vijftig jaar nog herinnerd.” Hoe hij dan herinnerd wil worden? „Nou ja…” Hij schudt zijn hoofd, zijn ogen fonkelen. „Als Julius Vischjager: de man die het veertig jaar lang voor elkaar kreeg om de Laatste Vraag te mogen stellen.”