Column

De drolparkeerder

Gisteren beschreef ik de onstuitbare opkomst van de mobielverslaafde, vandaag wil ik eer bewijzen aan de drolparkeerder, ook een veelbelovend fenomeen. Het gedrag van de drolparkeerder hangt samen met de algemeen gedeelde behoefte aan meer hygiëne op straat en stoep.

Hondenbezitters worden de laatste jaren geacht de stront van hun dieren in hondenpoepzakjes te vergaren en weg te gooien. Voor 3,95 euro krijg je in de dierenspeciaalzaak tachtig van die zakjes; 3 euro erbij en je hebt ook een dispenser waarmee je, zoals de reclame belooft, de zakjes via ‘de karabijnhaak’ aan de hondenriem, jas of broeklus kunt bevestigen, zodat „u nooit mis grijpt als uw hond zijn behoefte doet waar het opgeruimd moet worden”.

Of de methode ook voldoet als de hond in de stromende regen zijn gevoeg doet, staat er niet bij – maar dat zijn details. Wist u dat er ook hondenpoepzakdispensers bestaan met de afdruk van hondenkluifjes erop? In het zwart nog wel.

Bovendien worden in sommige gemeenten biologisch afbreekbare hondenpoepzakjes verspreid, waarvan het omhulsel volledig verteert. Alleen de poep blijft over, maar daar is – via de put – het riool voor. Blijft er nog wel iets te wensen over voor burgers die ’s avonds na gedane arbeid het liefst met smetteloze schoenzolen thuis willen komen? Toch wel. En dat komt, daar is-ie eindelijk, door de drolparkeerder.

De drolparkeerder is een zuinige Nederlander die geen gelegenheid onbenut laat om het huishoudbudget te ontzien. Als hij een eurootje op hondenpoepzakjes kan bezuinigen, zal hij het niet laten. Het komt hem ook om een andere reden goed uit. Hij zou zich een beetje schamen als hij in het openbaar door de knieën moest om de uitwerpselen van zijn hond te omvatten. Alsof hij de lakei van zijn hond was geworden. Een steek van jaloezie kan de drolparkeerder voelen bij de gedachte aan die verdomde kattenbezitters die hun ongezeglijke dieren de beest laten uithangen in tuinen – liefst van de naaste buren.

De drolparkeerder heeft gekozen voor het lijdzame verzet tegen het moderne hondenpoepfatsoen. Aan zijn lijf geen poepzakjes. Hij verschijnt bij voorkeur in het schemerdonker met zijn viervoeter op straat. Voorzichtig spiedend loopt hij rond. Heus, hij is de beroerdste niet. Ook hij kon zich vroeger ergeren aan de hondenbezitters die hun dier breeduit op de stoep zijn gang lieten gaan. Getver! De drolparkeerder heeft een tussenoplossing gekozen die hem voor alle partijen aanvaardbaar lijkt. Hij zoekt voor zijn hond plekjes waar die zo min mogelijk last veroorzaakt. Tegen de gevels van huizen, in grasstroken, in goten. In Amsterdam gebeurt het vooral tussen de amsterdammertjes, de paaltjes die het parkeren op de stoep moeten voorkomen.

De stront is keurig rond en tussen deze paaltjes gedrapeerd, of beter gezegd: geparkeerd. Het vereist vakmanschap, vergelijk het maar met de precisie waarmee een automobilist zijn auto in een kleine ruimte achteruit moet inparkeren. Zonder de nodige oefening lukt dat niet. De drolparkeerder heeft het nog moeilijker omdat hij vaak te maken heeft met een tegenstribbelende hond.

Ik heb dan ook groot ontzag voor hem gekregen. Zóveel smurrie zó onopvallend op straat achterlaten – het is een gave. Een enkele keer trapt er wel eens een voorbijganger in, die tussen de paaltjes door stapte. Kan gebeuren. Wat had die persoon daar ook te zoeken?