De coalitie Den Haag-Parijs

In zijn toespraak in het Amsterdamse Scheepvaartmuseum ter gelegenheid van het bezoek van de Franse president Hollande aan Nederland herinnerde premier Rutte gisteren aan de moeizame ontmoetingen die de Franse president De Gaulle in de jaren zestig had met de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Joseph Luns. Beiden botsten hard over de hardnekkige weigering van Frankrijk – toen één van de nog maar uit zes landen bestaande Europese Economische Gemeenschap – om Groot-Brittannië tot het samenwerkingsverband toe te laten.

„De tijd dat generaal De Gaulle en onze minister Luns hardnekkig ‘non’ en ‘nee’ tegen elkaar zeiden, ligt lang en breed achter ons”, aldus Rutte. Inderdaad zeggen Frankrijk en Nederland nu meer ja. Niet zozeer tegen elkaar, zoals premier Rutte gisteren zei, maar tegen heel veel landen van de Europese Unie.

De ontwikkeling die Europa de afgelopen decennia doormaakte, heeft gezorgd voor een welhaast logische relativering van de bilaterale contacten tussen Europese lidstaten. Als opmerkelijk feit is her en der geconstateerd dat het bezoek van Hollande het eerste was van een Frans staatshoofd sinds het bezoek van president Chirac aan Nederland in 2000. Maar zo bijzonder is dit ook weer niet. In Europees verband treffen de Franse president en de Nederlandse premier elkaar immers meerdere malen per jaar.

Toch zijn dit soort ontmoetingen als die van gisteren – hoe kort ze ook zijn – goed om stil te staan bij de onderlinge betrekkingen. Frankrijk is voor veel Nederlands nog steeds toch vooral vakantieland. Dat de KLM, ‘onze’ nationale trots, al meer dan tien jaar letterlijk onder Franse vleugels zit, het wordt maar niet te vaak hardop gezegd. Frankrijk en Nederland zijn binnen het grote Europese verband onmiskenbaar naar elkaar toe gegroeid; niet alleen in economisch opzicht maar ook op andere terreinen. De door het zich verenigende Europa veroorzaakte convergentie doet zich op vele terreinen gelden. ‘Ons’ pensioendebat, of ‘ons’ integratiedebat is evenzeer Frankrijks’ debat.

Het is goed dat deze ontwikkeling op het politieke vlak beter wordt erkend en uitgedragen. De Nederlandse interesse voor het buitenland is nog altijd primair gericht op Duitsland en Groot-Brittannië. Frankrijk mag best meer aandacht krijgen. Het Franse etatisme verhoudt zich misschien moeilijk met de Nederlandse handelsmentaliteit. Maar een open economie vereist nu eenmaal pragmatisme.

Bovendien wordt Frankrijk voor Nederland ook op andere terreinen een belangrijker bondgenoot, zoals de militaire missie in Mali laat zien. Frankrijk en Nederland hebben elkaar veel te bieden. Nu moet het politiek nog worden getoond.