Radertjes in de geluksmachine

Illustratie Tjarko van der Pol

Op 3 januari schreef ik in deze krant een pleidooi voor de zesjescultuur. Herman Blom, directeur academisering van de Stenden Hogeschool, reageerde een paar dagen later met een betoog voor meer competitie in het hoger onderwijs. Blom ziet graag dat studenten door middel van een prestatiecultuur worden gepusht om uit te blinken. Dan passen ze beter bij de arbeidsmarkt, en dat is goed voor de economie.

Het is een populair idee: als we iedereen in Nederland zo efficiënt mogelijk inzetten in het bedrijfsleven, wacht ons ongeremde economische groei en dus een bijzonder gelukkig leven. Vlijtig wordt de tussenstand bijgehouden – we meten beurskoersen, gemiddelde arbeidsproductiviteit en natuurlijk de Cito-score. Door het land te bestieren als een fabriek proberen bestuurders de optimale output van de bevolking te realiseren.

Dit uit zich in een hang naar objectieve prestaties op individueel niveau. Twintigers van nu proberen aan alle kanten uit te blinken: in het onderwijs, op het werk en in het sociale leven. Ik ben hier altijd volop in meegegaan. Zo probeerde ik met allerlei kunstmatige ‘nevenactiviteiten’ op mijn cv de kans op een topbaan zo groot mogelijk te maken. De prestatiegeneratie heeft het marktdenken enthousiast omarmd en werkt hard, want het leven is maakbaar en de optimale ‘output’ ligt binnen handbereik.

Voor de bestuurders van ons land is het natuurlijk prettig om het eindresultaat van nieuw beleid direct te kunnen meten. Toch zal dat nooit echt mogelijk zijn. Economische groei is immers geen doel op zich.

De machine dient de radartjes

Welvaart is maar een halte op de route naar welzijn; rijkdom moet eerst nog door de hersenen worden omgezet in de ervaring van een gelukkig leven. Uiteindelijk beogen we dat iedereen in Nederland een prettig leven kan leiden, maar door de nadruk op tussenliggende prestaties wordt dit einddoel onder het tapijt geveegd. In onze jacht op economische groei worden mensen gereduceerd tot radertjes in een grote machine, en dat de functie van deze machine het dienen van de radertjes is, blijft verborgen.

Dit doet denken aan een probleem dat ontstaat uit de aandacht voor objectieve prestaties op individueel niveau. Psychologen weten al langer dat een puur prestatiegerichte instelling het moeilijk maakt om tevreden te zijn met wat je bereikt. Mensen die altijd het onderste uit de kan proberen te halen, door onderzoekers omschreven als maximizers, zijn gedoemd om altijd net niet tevreden te zijn. Satisficers, die genoegen weten te nemen met doorsnee prestaties, zijn doorgaans juist gelukkiger met hun leven.

Het is dus paradoxaal maar waar: hoewel maximalisten vaak objectief gezien betere resultaten boeken, zijn ze hiermee minder gelukkig dan de mensen die er een minder veeleisende instelling op nahouden. Ervaring gaat niet gelijk op met uitkomst, sterker nog: een sterke nadruk op de tussenliggende halte (meetbare prestaties) kan leiden tot belemmering van de eindbestemming (tevredenheid of geluk). Ook al ligt welvaart op de route naar welzijn; maximalisering van het eerste kan leiden tot vermindering van het tweede.

De verwarring van middel en doel zie je zowel op maatschappelijk als op persoonlijk niveau terug in Nederland. Zo stellen we succesvolle en rijke mensen zeer op prijs omdat ze onze economie goed laten draaien, en mogen mensen met een uitkering schoenen poetsen om hun falen te compenseren. Of dit voor het welzijn van de gemiddelde Nederlander goed is valt te betwijfelen, maar het zal ongetwijfeld helpen bij het veiligstellen van economische groei.

Een soortgelijk verschijnsel komt voor bij veel jonge Nederlanders. Ik ben vaak zo hard bezig om de stempelposten van mijn leven te bereiken, dat genieten van het uitzicht erbij inschiet. Vóór mijn vijfentwintigste wilde ik mijn master hebben gehaald ( liefst cum laude), een dik cv hebben opgebouwd en een wereldreis hebben gemaakt. Wat voor moois ik in de tussentijd ook meemaak; ik blijf ontevreden zolang ik deze doelen nog niet heb bereikt.

Misschien zou het beter zijn om genoegen te nemen met de dingen die we nu nog als ‘middelmatig’ zien, zoals tegenvallende groeicijfers of een doorsneebaan. Sommigen zullen hierop zeggen dat we met zo’n softe levensinstelling de strijd met het buitenland nooit aan zullen kunnen. We moeten ons echter afvragen welke oorlog we nog proberen te winnen. Waarom vinden we het zo belangrijk om bovenaan de economische ranglijstjes te staan en waarom worden we bang als Aziatische landen ons inhalen op het gebied van hoofdrekenen? Is het soms onmogelijk om een gelukkig leven te leiden in een land dat misschien niet het rijkst, maar toch zeker rijk genoeg is?

Het grote gemis van het marktdenken is een goed gedefinieerd einddoel. Hoeveel geld moeten we vergaren voordat we na kunnen gaan denken over wat ons echt gelukkig maakt? En wat betekent welzijn dan? Zolang we op deze vragen geen antwoord hebben, heeft het geen zin om ons massaal in dienst te stellen van welvaartsmaximalisering. En doen we dat wel, dan raken we van welzijn alleen maar verder verwijderd.