Eenmans-polyfonie

illustratie Angel Boligan

Indien ik iets ben, dan ben ik een auteur van stemmen. Van theater, van voordracht, van retoriek, van zingzang zonder zingen. En daarbij vloeien alle genres, alle disciplines, van essay tot poëzie, gewoon in elkaar over. Zoals het hoort, volgens mij. Zoals het moet. Want alles is theater, proza op kop. Zo sta ik in het leven, en zo schrijf ik ook. Het universum van W.F. Hermans was, naar zijn zeggen, ‘sadistisch’. Spijts mijn respect voor Hermans’ werk wil ik hier benadrukken dat ik sadisme, en sadisme alleen, te eenduidig en te saai vind, niet gecompliceerd genoeg ook, als analyse van de verhouding tussen individu en materie, mens en kosmos, mens en medemens. Mijn universum is tragisch. Correctie, tragikomisch.

Correctie: toch weer tragisch, zonder meer. Want alle tragiek impliceert meteen het komische. Het was niet alleen Shakespeare die dat wist, en die het gebruikte als vast adagium. Maar bij hem kun je er het minst naast kijken en dit is wat hij ons toont: geen koning zonder een nar aan zijn zijde.

En de tragiek begint pas goed, als de nar voor koning probeert te spelen. Onze nationale politiek, zowel in België als in Nederland, is daar helaas vaak een goed bewijs van.

De soms gekmakende paradoxen in ons bestaan, het inzien van onverenigbaarheid van tegendelen, maar ook van de diepere band ertussen, en tot slot het scala aan gevoelens dat zulke tweespalt oproept – om dat alles gaat het mij. Daar ligt mijn universum, waarin zeker geen sadisme ontbreekt, maar waarin nog zoveel meer kolkt en bruist en brandt, terzelfder tijd. Een perpetuum mobile genaamd ‘het Menselijk Drama’. Van overmoed naar catharsis, altijd maar weer. Van liefde naar wanhoop en terug, van hoop naar haat, begeerte naar verraad. En zoveel meer.

Zo simpel. Zo complex. En toch weer simpel.

In Mefisto for Ever, mijn bewerking van Klaus Manns pamflettaire meesterwerk Mephisto, laat ik de hoogmoedige steracteur Kurt Köppler zeggen, tegen de jonge actrice die hij wil imponeren en verleiden — hij die zich nota bene zelf zal laten verleiden tot collaboratie: „Wezenlijk theater gaat over verscheurdheid. Over verscheurd zijn.”

Wezenlijk theater gaat, tegelijkertijd, over verscheurd zijn en weten dát je verscheurd bent, hoezeer je ook je best doet om je verscheurdheid voor de buitenwacht te verbergen. Soms verberg je ze jarenlang voor jezelf, en komt het inzicht plots, als een klap in je gelaat. Harder en pijnlijker dan een echte klap.

Daarom kunnen melodrama en drama nooit hetzelfde zijn. Bij melodrama wordt pijn alleen gevoeld en uitgeschreeuwd. Bij drama komt daar zelfreflectie bovenop. En niet zelden: schuldgevoel en zelfverwijt. En die kwetsen zoveel dieper. Gelijktijdig voelen en denken. En dat in taal die tegelijk fraai mag zijn, maar soms ook gewoonweg efficiënt en hard en helder. En bovendien in een kader dat zowel een doodgewoon verhaal mag zijn als een waanzinnig avontuur, zolang het maar een metafoor durft te zijn voor het hele menselijke handelen. Het is geen toeval dat de westerse literatuur is ontstaan in Griekenland, op hetzelfde moment als de filosofie en de democratie. Ze zijn ten diepste verbonden met de poëzie en met het toneel dat zich toentertijd, voor het eerst op die manier, ontwikkelde. De echte Grote Drie – die van Toen, te weten Aischylos, Euripides en Sophocles – laten hun dramaturgische invloed gelden tot vandaag. In tegenstelling tot cabaret en cartoons – hoezeer ik ook houd van goed cabaret en snedige cartoons – gaat theater om dilemma’s. Om onoplosbare levensvragen, niet om commentaar op tijdelijke misstanden of markante anekdotes. Daarom overleven theaterteksten duizenden jaren, en zijn de meeste cartoons na vijf jaar gedateerd. En sommige na vijf dagen.

Wat ik zeg over theater, gaat ook op voor scheppend proza. Voor mij zijn ze één en ondeelbaar en te verbinden met het meest oorspronkelijke instrument van álle literatuur. De menselijke stem. Alle stilistische technieken waarvan we ons bedienen bij het schrijven, alle expressiemiddelen die ons in een geschreven tekst ter beschikking staan – hij moge ons bereiken in boekvorm of per digitale tablet – ze komen voort uit een orale traditie, die veel groter is dan die van het antieke Griekenland alleen. De stem was er eerder dan het boek.

Dat is geen pleidooi tegen het boek. Het is juist een lofzang op het boek. Ook ik hoor al die stemmen. Ik zoek ze op, ik heet ze welkom, ik laat ze gedijen in mijn hoofd, ik probeer hun sneren en hun lachsalvo’s op te vangen en neer te tikken, in de hoop dat ze ooit vertolkers mogen vinden. Ofwel op de planken van een of andere schouwburg. Ofwel in de hoofden van mijn lezers, die – hoewel zelf stilzwijgend – die vele stemmen weer tot leven brengen in hun eigen hoofd, dankzij hún verbeelding.

Dat is de magie van het boek, of het nu een roman is, een novelle of een bundeling verhalen. Een boek is niet alleen een tekstbrochure en een zangpartituur ineen. Het is ook een intens complot tussen een schrijver en zijn lezer, dankzij de weldadige werking van hun gezamenlijke fantasie. Daarom vind ik – samen met goed gebracht toneel, natuurlijk – een boek de allerhoogste kunstvorm in dit ondermaanse. Het is gezamenlijk praten en fantaseren, zonder dat je elkaar hoeft te kennen of te zien.