Column

De mobielverslaafde

Vandaag en morgen wil ik aandacht vragen voor twee nieuwe mensentypes die zich deze eeuw beginnen af te tekenen. Ik bedoel de mobielverslaafde en de drolparkeerder.

We kennen de eerste symptomen van mobielverslaving, sommige lezers zullen er zelf al drager van zijn. Op vrije momenten kijken ze voortdurend op hun telefoontje, ze voelen een zekere onrust als ze het hebben uitgeschakeld; ook tijdens gesprekken of op fietstochten kunnen ze het niet laten hun mail te checken of even te kijken naar sms’jes of allerlei apps.

Volgens Peil.nl, het onderzoeksbureau van Maurice de Hond, checkt driekwart van de Nederlanders elke drie tot zes minuten zijn smartphone. Vooral vrouwen doen dat, soms zelfs meer dan dertig keer per uur.

Je zou het een voortzetting van die goeie ouwe telefoonverslaving kunnen noemen. U weet wel, dat waren die drukbezette mensen die je tijdens een telefoongesprek om de paar minuten waarschuwden: „Blijf even hangen, er komt net een ander gesprek binnen.” Aan het einde van zo’n gesprek had je zo lang gehangen dat je de wurgdood nabij was.

De mobielverslaving gaat nog verder omdat het ook een aanslag is op de privacy van anderen. Men kan verzocht worden het toestel uit te zetten, maar niet te voorkomen valt dat mensen geluidloos hun mobieltje raadplegen. In de duisternis van bioscoop of schouwburg zie je steeds vaker het scherm van mobieltjes oplichten – uiterst irritant voor mensen in de nabijheid.

Een hoogtepunt in de mobielverslaving bereikte de jonge man die onlangs vier stoelen van mij in de bioscoop verwijderd zat. Hij was in gezelschap van een vrouw van zijn leeftijd, met wie hij voor het begin van de film zat te keuvelen. Toen al viel me op dat hij af en toe op zijn mobieltje keek. Daarmee ging hij door toen de hoofdfilm begonnen was.

Het bleek een nogal dramatische film met allerlei gebeurtenissen die een normaal mens niet graag zelf zou willen meemaken – juist daarom gaat hij naar zo’n film. Maar deze mobielverslaafde leek in het geheel niet onder de indruk te zijn. Op de momenten dat de filmemoties ons overspoelden en wij met een brok in de keel naar onze zakdoek grepen, liet hij zijn mobieltje aanfloepen. Hij studeerde een half minuutje op het resultaat, snoof even, doofde het licht en ging verder met de film.

Misschien ging het niet ten koste van zijn concentratie, maar in ieder geval wel van de mijne. Ik probeerde me voor te stellen wat voor man het was. Vermoedelijk ging hij met zijn vriendin naar de film, „omdat zij het zo gezellig vond”. Zelf gaf hij er niets om.

Een documentaire, dat ging nog wel, die hadden tenminste informatieve waarde, maar speelfilms lieten hem, net als romans en verhalen, ijskoud. Al die verzonnen verhaaltjes over ongelukkige liefdes en gefnuikte ambities, wat moest je ermee? Was het gewone leven al niet ingewikkeld genoeg? Feiten en eigen ervaringen – daar ging het om. Verzinnen konden we allemaal.

Ik kreeg een beetje medelijden met haar. Straks zou ze op de terugweg of in het restaurant nog graag even willen doorpraten over het bittere drama dat ze net had aanschouwd. Hij zou er voor de vorm in meegaan, maar dan een snelle bocht naar de werkelijkheid nemen: „Ach, het is maar film.” Vroeger zag je dit type man al na een minuut of tien naast zijn vrouw in slaap sukkelen. In dat opzicht is het mobieltje hun redding.

Morgen: de drolparkeerder.