Zijn verdachten mentaal in orde?

Eén van de manieren om het nieuws uit de rechtszaal te verwerken is veronderstellen dat de mensen inderdaad gek zijn. Of dat er tenminste toch een draadje aan los zit. In het strafrecht heet het dan: cliënt had een black-out, een waas voor de ogen of was gewoon ‘onder invloed’. Gedragskundigen hebben er een eigen jargon voor. Gebrekkige gedragscontrole, manische ontregeling, disregulatie, impulsstoornis, labiel. Veel strafbaar gedrag lijkt op één of andere manier psychiatrisch of psychologisch verklaarbaar. Of farmaceutisch: door medicijngebruik of het staken er van.

Nog deze week bepleitte voor de rechtbank in Assen een advocaat vrijspraak voor een 33-jarige vrouw die haar 2-jarige zoontje vermoordde. Dat zou komen door de hoge doseringen van het antidepressivum paroxetine. Na de moord reed ze met haar 7-jarige dochter het kanaal in, wat beiden overleefden. De deskundige van de verdediging had een genetisch defect gevonden dat voor een (te) langzame afbraak van het middel zorgde. Er was, volgens de Volkskrant, geen psychose, maar ‘acathisie’, fysieke onrust die gepaard gaat met zware angst en agressie.

Hebben verdachten wel een vrije wil en kun je ze hun gedrag toerekenen - het is een klassieke vraag. Wie veel verdachten voorbij ziet komen, ontwikkelt daarover nog weleens een huiselijke mening. Ybo Buruma, raadsheer in de Hoge Raad, zei in Vrij Nederland ronduit dat „35 procent van de verdachten en slachtoffers zwakbegaafd is”. Dat zei hij in de context van de extra inspraak voor slachtoffers in het strafproces. Dat zou voor desillusie en onbegrip zorgen, mede daarom. Zulke publieke generalisaties zijn zeldzaam. Maar een slip-of-the-tongue was het niet. In het jeugdrecht komt tot de helft van de strafzaken voor rekening van zwakbegaafde of licht verstandelijk gehandicapte jongeren, met een IQ tussen de 50 en 85. Althans, dat stelde de socioloog Marigo Teeuwen vast in haar bekroonde boek Verraderlijk gewoon.

Hoe vaak wordt neurologische informatie in de rechtszaal gebruikt? Het Nederlands Juristenblad (‘Neurolaw in Nederland’) telde tussen 2000 en 2012 230 vooral ernstige strafzaken waarin neuro-informatie is gebruikt. Vooral om onverwacht of buitensporig geweld te verklaren. Deze week schreef de Maastrichtse psycholoog Harald Merckelbach in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, dat ‘neurobewijs’ aan een ‘triomftocht’ in de rechtszaal bezig is. Het leidt altijd tot lagere gevangenisstraffen – rechters zijn volgens hem te snel onder de indruk. Neurobewijs is uitzonderlijk gevoelig voor overschatting en misinterpretatie. Volgens hem moet je met dit type informatie buitengewoon streng omgaan. Alles moet streng geprotocolleerd zijn verzameld: zonder contextinformatie, idee over de herkomst of wat (juridisch) de bedoeling moet zijn. Dubbelblind, ongeveer net als met geurhonden dus. Wat ik niet wist is dat neurobewijs ook door veinzen tot stand kan komen. Wie zich in de MRI-scanner inprent een andere persoonlijkheid te hebben, kan de hersenscan beïnvloeden.

In die 230 vooral ernstige strafzaken waarin neurobewijs is gebruikt, ging het over opzet, schuld of toerekenbaarheid. Vijf keer droeg neurobewijs bij aan het oordeel vrijspraak, zes keer aan ontslag van rechtsvervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om iemand die niet vervolgd wordt omdat hij zó veel stoornissen heeft op het gebied van aandacht, mentaal tempo, oriëntatie, geheugen, taal, spraak door herseninfarcten dat hij de vervolging niet zou begrijpen. Of denk aan iemand die op een ander schoot, tijdens het slaapwandelen.

Interessant is dat neurobewijs ook tot extra zware maatregelen kan leiden. Dus niet ‘Sorry, mijn DNA heeft het gedaan’. Maar ‘Pas op, jouw DNA doet het straks weer’: jij blijft voorlopig binnen. Agressief gedrag kan ook samenhangen met geneesmiddelen. Maar of het middel is ingenomen weet vaak niemand. Om dat te achterhalen is na een ernstig misdrijf dus standaard bloedafname nodig. Een tip voor de toekomst.