We gaan niet verhuizen, we blijven bij haar wonen

(Boven) „Gijs, Lien en Jan bovenop het klimduin in Schoorl.” (links) „Duinwandeling.” (rechts) „Op de schommel, ergens in Middenbeemster.”

Zij: „Madeline had een DNA-afwijking waarvoor niet eens een naam bestaat, zo zeldzaam is die. In haar geestelijke ontwikkeling was ze een kind van één à anderhalf jaar. Ze bleef klein, ze was niet groter dan 1 meter 16.”

Hij: „Ze was een heel blij kind. Ze was zich niet bewust van haar handicap. Altijd vrolijk, gezellig, tevreden, nooit boos.”

Zij: „Maar ook wel vermoeiend: je kon haar geen vijf minuten alleen laten. Heel beweeglijk. ‘Altijd een mannetje op Lien’, was de regel in ons gezin. Er moest permanent iemand zijn die haar in de gaten hield.”

Hij: „Ze werd geboren met een misvormd rechterhandje. Dat is een teken van een afwijking in de chromosomen. Het was het begin van een lange geschiedenis met haar in ziekenhuizen. We hebben nooit gedacht: wat overkomt ons nú, waarom wij? We hebben meteen geaccepteerd dat ze anders zou zijn dan andere kinderen.”

Zij: „De contacten met artsen en verpleegkundigen in ziekenhuizen en medewerkers van de dagopvang vonden we fijn. We hebben zoveel hulp gehad, zoveel steun. Wij zijn van nature niet zo ambitieus en dachten vaak: ach, als Lien maar gelukkig is. Professionele mensen hebben haar en ons gestimuleerd te investeren in haar ontwikkeling. Op haar zevende kon ze lopen, na eindeloos oefenen.”

Hij: „Ik ben niet zo’n vader die geduldig puzzeltjes maakt met kinderen; dat deed ik ook niet toen de jongens klein waren. Ik ging liever met haar naar buiten: autotochtjes, fietsen met haar in de bakfiets, boten kijken in IJmuiden of Den Helder, winkelen in Zaandam of Amsterdam.”

Zij: „Ja, zinloos autorijden, vond ze heerlijk! Zo reden we op zondagochtend 17 maart vorig jaar hier in de buurt, het was te koud om te fietsen. Opeens maakte ze op de achterbank een geluid dat we niet van haar kenden. We keken achterom en begrepen meteen: dit is helemaal niet goed, hier is iets ergs aan de hand.”

Hij: „Christine is naast haar op de achterbank gaan zitten. Ik heb onze jongste zoon thuis gebeld en gezegd: bel het ziekenhuis in Zaandam, zeg dat we eraan komen en dat de toestand van Madeline ernstig is.”

Zij: „Ik heb geprobeerd haar te reanimeren. De blik in haar ogen zal ik nooit vergeten. Ze zakte weg. Toen we tien minuten later bij het ziekenhuis waren, stond er een heel team paraat. Maar ze was al overleden, ze hebben niets meer kunnen doen.”

Hij: „Van hier uit kijken we over de weilanden zo naar de begraafplaats, hemelsbreed een paar honderd meter.”

Zij: „Ik heb lang gedacht: ik wil verhuizen, naar een huis met een grotere kamer beneden voor Lien. Het werd me wel eens te druk en te lawaaiig. Maar nu gaan we hier nooit meer weg. We blijven bij haar.”

Hij: „Ik ga vaak naar haar graf. Het wisselt een beetje: soms vijf keer in de week, op dit moment elke dag. ‘Even kijken of ze er goed bij ligt’ – dat gevoel. Zo hebben we dat veertien jaar gedaan. Ze sliep gelukkig goed. Maar altijd gingen we ’s nachts even bij haar kijken, iedere nacht.”

Zij: „Ik ga iets minder vaak naar haar graf; een keer of drie in de week. We hebben nieuwe vrienden, begraafplaatsvrienden. Je komt elkaar tegen, leert elkaars verhalen kennen, je kunt elkaars verdriet invoelen.”

Hij: „Eigenlijk doen we nog steeds dezelfde dingen die we met Lien deden. Kleine dingen. Autotochtjes, fietsen. Je zou denken: we kunnen nu alle kanten op, we kunnen gaan en staan waar we willen. Maar we hebben er geen behoefte aan. Nog niet althans, misschien komt het nog.”

Zij: „Altijd als ik alleen op pad was, dacht ik: ik moet snel naar huis, ik kan ze thuis niet zo lang met Lien alleen laten. Dat gevoel heb ik nog steeds.”

Hij: „We hebben altijd geweldig veel hulp gehad, van mijn ouders, van mijn schoonmoeder. De jongens zijn altijd heel zorgzaam geweest voor Lien. We hadden tien jaar lang, twee dagen in de week, een fantastische vrouw hier uit de buurt, Erika, in huis, die er helemaal was voor Lien. En toch was er steeds dat gevoel: we kunnen niet te lang weg van huis.”

Zij: „Soms brachten we Lien op zaterdag bij mijn schoonouders en dan gingen Michiel en ik samen op pad. ‘Our second honeymoon’, noemde ik dat dan.”

Hij: „Ik wil niet zeggen dat we in een sociaal isolement hebben geleefd, maar ons wereldje was klein. En eerlijk gezegd had ik daar niet zo’n moeite mee. Veel sociale verplichtingen konden we makkelijk afhouden: nee, we kunnen Lien niet alleen laten. ‘Mijn menselijk schild’, noemde ik haar wel eens. Ik ben niet zo erg van de feestjes en partijen.”

Zij: „De laatste tijd zijn we wel vaker bij mensen uitgenodigd om te komen eten. Dat is lief, dat was fijn. Nu zijn wij aan de beurt om dingen terug te doen. Het komt wel. Wij moeten nog wennen aan het idee dat we dat soort dingen weer kunnen doen.”

Hij: „Ik ga nu wat vaker naar een voetbalwedstrijd op zondagmiddag.”

Zij: „Ik ga nu wel eens in op een uitnodiging, hier in het dorp, om te komen meepraten in een clubje dat iets organiseert.”

Hij: „Ik heb er geen moeite mee alleen te zijn. Binnenkort heb ik een afspraak in Rotterdam, ’s ochtends vroeg. Autorijden en nadenken – vind ik prettig.”

Zij: „Ik vind het moeilijk alleen te zijn. Het liefst ben ik bezig. ’s Avonds alleen thuis zijn: vreselijk vind ik dat.”

Hij: „Gelukkig kunnen we samen goed praten over Madeline en ons verdriet.”

Zij: „En gelukkig kunnen we ook tegen elkaar zeggen: nu even niet. Michiel kan er op elk moment over praten, en hij heeft een geheugen als een olifant, kan opeens zeggen: ‘Weet je nog dat we toen dat-of -dat.’

’s Avonds laat wil ik dat niet. Dan zeg ik: ik wil het nu niet horen, dan slaap ik slecht straks, het maakt me te verdrietig.”

Hij: „Madeline is niet meer hier, maar ze zit nog steeds diep in ons systeem. Het is zó moeilijk haar los te laten.”