Column

The Wolf, Fries, Hideous (wo)men

522 keer bezigt er iemand in The Wolf of Wall Street het woord ‘fuck’ of een variatie erop (fucking, motherfucker, motherfucking). Een grapjas plakte alle fuckmomenten achter elkaar, en zette zijn filmpje op YouTube onder de titel F’king Short Version. Minutenlang, mitraillerend: Neuk! Neukend! Moederneuker! Moederneukend! Ik krijg er de slappe lach van. En ik zie in deze compilatie hoe Martin Scorsese het fuckgebrul regisseerde alsof het niks bijzonders is. Net als de orgieën en excessen met drugs en drank. Mijn hemel, wat filmde hij die massaal, ongedetailleerd en weinig opwindend.

Omdat dat klópt, hoor ik. Zo gáát het in de testosteronwereld van Wall Street.

Drie uur lang suggereert Scorsese in The Wolf zonder noemenswaardige poging tot diepgang dat elk mens als het even kan bij voorkeur de beest uithangt. Nu ja, de helft van de mensen: de mannen. De vrouwen zijn hun veestapel. Tenzij ze met de mannen meedoen. En ‘eigenlijk’ willen alle vrouwen dat.

Ik niet. Ik vind het stom. Maar dat zal de kift zijn want ik ben behalve vrouw niet eens jong, dus waar heb ik het over.

Nou zeg.

Als ik nog even mag: het vermoeit me ook dat The Wolf zonder twee keer nadenken het complete gebrek aan intimiteit als ideaal verkoopt. Ongegeneerd doen de mannen alles met zijn allen, alsof ejaculeren, zuipen, snuiven pas bestaan als een ander het ziet. De hoofdpersoon laat zijn beveiligers zelfs zijn echtgenote (blond en duur, meer vertelt de film niet over haar) in haar kut kijken, via de bewakingscamera’s in zijn villa.

Al met al intrigeert de film me al na een half uur niet meer. Dan weet ik het wel, met die mannetjes en hun pikkies. Ik ken de attractie van wangedrag, maar niet in het format van 522 keer ‘fuck’ in drie uur.

Wat ik mis, besef ik bij de voorstelling Hideous (wo)men van Toneelgroep Oostpool. Ik gruw van de personages, maar wat ze ook doen, ik wil naar ze kijken. Ze zijn ontmenselijkt. Ze spreken met ingeblikte stemmen in clichés. Over hun hoofden dragen ze zachte rubberen maskers onder nylon pruiken, een gelaatsuitdrukking hebben ze niet. Op hun ogen na, die loeren lijp uit naar buiten. Susanne Kennedy regisseerde hen houterig bewegend en laat ze telkens bevriezen tot de figuren in een fotoroman. Desondanks zijn ze aangrijpend. Allemaal zijn ze verbeten bezig hun wezenloosheid te bestrijden met een machinale jacht op seksuele bevrediging. De wezenloosheid die in The Wolf wordt verbeeld met een nooit eindigende, collectieve erectie (waar je trouwens nog geen glimp van te zien krijgt) loopt hier kalmpjes uit op de deerniswekkende genitale zelfverminking van een vrouw. Gesuggereerd met veel rood druipende klonters.

Het realisme van The Wolf is hol. Het mikt op vergelijkbaar drama maar haalt het niet bij het onbarmhartige surrealisme van Hideous (wo)men.

Herken in de mens een beest, dat kan. Maar bij een dier lukt dat niet. Het dier is altijd een dier: onbekend met goed en kwaad. Tegelijk echoot het de mens en daarom is het uitermate theatraal. Ik zie het in de expohal van het WTC in Leeuwarden, bij Faderpaard, een theatershow van Jos Thie, theatermaker annex spektakelsmid, met acts met uitsluitend Friese paarden. Sinds het Wereldkerstcircus in het Amsterdamse Carré had ik last van deficiëntieverschijnselen. Het regeerakkoord van Rutte-2 wil een verbod op wilde circusdieren en Carré was voor de zekerheid ook terughoudend met de paarden, met maar één act: een zooitje ongezadeld liep poëtische rondjes. Ik koester warme herinneringen aan de legendarische circuspaardenfamilie Knie. Ik zag hun dressuur vroeger, in Carré. Deden hun paarden iets wat ze ooit uit zichzelf zouden doen? Nee. Net zo min als al die in slavernij gehouden honden, poezen, cavia’s en geitenboerderijgeiten. Ik zit daar niet mee, ik houd van huisdieren (en ik heb het vermoeden dat zij meestal ook van ons houden). Evenmin tob ik over wildedierennummers. Ik heb het moeilijker met eenzame konijnen in achtertuinhokjes.

In Leeuwarden kwam het goed. Op de cadans van de poëzie van Tsjêbbe Hettinga en de stem van Nynke Laverman, traden de zwarte Friezen op. Dansers op zware hoeven, verleiders met lange manen. Dieren waarin wij onszelf herkennen, met alles wat ons mens maakt. Gemend en gedresseerd, door stoere mannen en vrouwen met beide benen in de traditie. Geef mij maar klederdracht.