Te zijner tijd

Als je het in Vlaanderen hebt over vroeger, maar het soort vroeger waar je zelf in meegespeeld hebt, dan kun je het hebben over ‘de jaren stillekes’. Dus: „Nee, dat was in de jaren stillekes, toen had ik nog een asymmetrisch kapsel.” (figuur 1). Of: „Die man leeft in de jaren stillekes, die weigert op Facebook te gaan.” Het zijn dit soort uitdrukkingen die er bij mij voor zorgen dat ik Vlaanderen wil annexeren, desnoods tegen de wil van de inwoners.

Een onbepaalde tijd in het verleden; wij hebben er niet zo duidelijk een woord voor. Ik betrap mezelf weleens op ‘de oertijd’. Dus: „Ik deed toen vrij fanatiek aan judo, maar dat was in de oertijd, hoor.”

Een onbepaalde tijd in de toekomst is meestal een ander woord voor ‘nooit’. Denk aan sint-juttemis. En de pruimentijd. Hoewel ik dat laatste altijd vreemd heb gevonden: er ís toch echt een pruimentijd? In augustus ofzo?

Toch hoor ik deze uitdrukkingen niet zo vaak meer. Dat komt doordat er nu een veel subtielere manier is om ‘nooit’ te zeggen, en dat is ‘te zijner tijd’. Neem het volgende gesprek:

„Heb je de mailinglist al opgeschoond?”

„Nee, nog niet, maar daar kom ik te zijner tijd wel aan toe.”

Laten we het eens letterlijk nemen. Zijner tijd. Wiens tijd? Ik kan er alleen maar van maken dat het de tijd van de mailinglist zelf is. Maar aangezien de mailinglist niet in staat is aan te geven wanneer hij/zij graag opgeschoond wil worden (figuur 2), is te zijner tijd gelijk aan nooit. Maar het mooie is: te zijner tijd klínkt wel alsof er iets concreets bedoeld wordt. Alsof er actie ophanden is.

Kordatere types hebben het over ‘asap’ (as soon as possible), maar ook dit is geen duidelijk signaal dat er ook echt iets gaat gebeuren.

Wie het echt handig aanpakt, praat helemaal niet meer over verleden of toekomst, maar neemt als hobby het boeddhisme. Dan kun je bij elk verzoek meteen zeggen: „Ik probeer wat meer in het moment te leven.”