Religieuze critici kregen gelijk over euthanasie

Deze week vlamde de euthanasiediscussie heftig op. SCEN-artsen kregen ruzie over de euthanasie op een 35-jarige psychiatrische patiënte en een psychiater van de Levenseindekliniek vertelde over euthanasie bij psychiatrische patiënten, hetgeen steeds vaker een serieuze optie is. De vraag is echter of ernstige lichamelijke aandoeningen wel gelijk zijn te stellen met psychiatrische klachten en leed gepaard gaande met (dreigend) sociaal isolement.

Psychiater Casteelen vertelt in deze krant over de psychiatrische patiënten bij wie ze euthanasie verrichtte. Een vrouw met smetvrees. Een lichamelijk gezonde maar eenzame ambtenaar die lang werd behandeld voor depressie. In zijn werk functioneert hij goed en in zijn vrije tijd doet hij vrijwilligerswerk. Als zijn pensioen nadert en hij moet stoppen met werken, vraagt en krijgt hij euthanasie.

De details kennen we onvoldoende, we zijn geen psychiaters dus oordelen we terughoudend. We weten hoezeer artsen met inzet en integriteit het leed van patiënten proberen weg te nemen. Niettemin roepen deze voorbeelden allerlei vragen op. Ze bezorgen ons een ongemakkelijk gevoel. Wij zijn niet tegen euthanasie.

Waarom werd niet afgewacht hoe de ambtenaar zich voelde, nadat hij daadwerkelijk stopte met werken? Was er niet een vorm van werk na zijn pensioen te regelen? Het doet ons denken aan de context van de oude schrale dag: mensen die thuis vereenzamen of in een verpleeghuis verpieteren en daarom maar dood willen.

Het is taboe om de relatie tussen doodswens en context te leggen. Maar die is er wel degelijk. Een geestelijk verzorgster vertelde onlangs dat driekwart van haar bewoners hoopt de volgende dag niet wakker te worden. Ook bij de Uit Vrije Wil Beweging speelt die context absoluut een rol in ‘de angst voor straks’.

Hetgeen nu gebeurt, herinnert aan de euthanasiediscussie over somatisch lijden in de laatste decennia van de vorige eeuw, waarover The het boek Verlossers naast God schreef. Na 1984, toen de Hoge Raad de voorwaarden formuleerde waaronder euthanasie was toegestaan, was ‘het geregeld’. Tegenstand werd daarna in de kiem gesmoord. Kritiek hebben was ‘een gepasseerd station’.

Ook nu hebben we het gevoel dat verzet weinig zin heeft. De liberaliseringstrein van het sterven dendert voort en is niet meer te stoppen. We moeten het erkennen: de tegenstanders van euthanasie uit religieuze hoek en de buitenlandse critici uit de laatste decennia van de vorige eeuw hebben gelijk gekregen met hun waarschuwing voor de slippery slope.

Wij constateren dat – als je de casuïstiek overstijgt – er een tendens is om critici als (conservatieve) obstakels te zien in plaats van gelijkwaardige gesprekspartners in een uiterst precaire maatschappelijke kwestie. Doodgaan is te groot voor menselijk gekibbel en stammenstrijd tussen voor- en tegenstanders, en te vatbaar voor beïnvloeding door derden, bijvoorbeeld familieleden.

In ons land met smalle moraal zijn tegenwerpingen niet meer mogelijk als aan de procedure is voldaan. Op zijn best wordt die procedure tegen het licht gehouden, en dat zal waarschijnlijk gebeuren, want daar is alle aanleiding toe.

Trouw schreef afgelopen zaterdag over de klacht die SCEN-arts Wolfs indiende bij de regionale toetsingscommissie. Hij was de tweede SCEN-arts die het euthanasieverzoek van een 35-jarige psychiatrische patiënt afkeurde. Na hem stemde uiteindelijk een derde SCEN-arts met het verzoek in. De euthanasie had naar oordeel van Wolfs nooit mogen plaatsvinden.

Hetzelfde onaangename ‘shoppen’ kwam aan de orde in het geval van ‘de vrouw die niet meer wist dat ze dood wilde’, waarover Reerink in 2012 verslag deed in deze krant. De eerste SCEN-arts vond euthanasie niet kunnen, omdat de vrouw door haar gevorderde dementie haar doodswens niet kon herhalen in zijn bijzijn. Haar echtgenoot tipte daarna de huisarts op een andere SCEN-arts die publiekelijk voorstander was van euthanasie bij dementie. Die stemde toe. De huisarts moest zich verantwoorden en zei dat hij niet op ‘een één-tweetje’ uit was geweest. De toetsingscommissie aanvaardde dit. Maar wie toetst de toetsingscommissie?

De euthanasiewet maakt geen expliciet onderscheid tussen psychiatrische- en lichamelijke ziekten, maar gelijkstelling is problematisch. Bij ondraaglijk lijden gaat het vaak om lichamelijke klachten die niet meer zijn te genezen. Bij psychiatrische klachten is dat veel minder evident, nog los van het feit dat psychiatrisch patiënten veelal met hun klachten moeten leren omgaan. Daarbij is de omgeving belangrijk. Zij kan (natuurlijk niet altijd, dat realiseren wij ons terdege) een zinvol bestaan creëren voor psychiatrische patiënten, ondanks diens aandoening. Dat is de opdracht die wij als samenleving hebben. Net als in de zorg voor mensen met een beperking, net als bij mensen met dementie.

Niki Peters schreef in de Volkskrant (14 januari) hoe zij bij haar chronische dubbele psychiatrische aandoening veel ellende doorstond. Nu is zij blij dat haar jarenlange doodswens niet werd ingewilligd omdat er nog geen Levenseindekliniek bestond. Dan had zij nooit ervaren hoe het is om liefde van haar dierbaren te ontvangen, vriendschappen toe te laten, een kind groot te brengen. Daar zijn wij het mee eens: euthanasie kan eigenlijk alleen als er geen spoor van twijfel bestaat.