Religie en oorlog

Strip- en taalkunstenaar Marten Toonder (1912-2005) was altijd goed voor wat origineel gemijmer over het leven, de schoonheid van bomen, religie of de kracht van het onderbewuste. Dat bleek niet zozeer uit zijn vermakelijke autobiografie, als wel uit de documentaire Een heer vertelt, die Robin Lutz in 1994 over hem maakte. De gesprekken waarop die film is gebaseerd zijn nu in boekvorm verschenen onder de titel Marten Toonder. Eerste en laatste gesprekken. [1] Nieuw eraan is dat Lutz ook de interviews heeft opgenomen die hij tussen 2003 en 2005 met Toonder hield in het Rosa Spier Huis. Dat levert tal van nieuwe wetenswaardigheden op. Zoals over het gebrek aan godsdienst in de Bijbel: ‘En dan het verhaal van Christus zelf, het kruisigen, dat is anti-goddelijk. Van de hele Bijbel blijft niets over.’ Of over zijn breuk met zijn zoon Eiso: ‘Ik heb geen idee wat leeft in mijn zoon; dat maakt het zo rot. Vroeger niet en nu ook niet.’ Andere hoogtepunten zijn Toonders bekentenissen over zijn liefdesleven in het Rosa Spier Huis en zijn verlangen naar euthanasie.

Het raadselachtige Christendom krijgt een treffend vervolg in De uitvinding van de katholieke kerk. [2], de uitgebreidere afscheidsrede van Peter Raedts als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Radboud Universiteit. De historicus, die eerder het briljante De ontdekking van de Middeleeuwen publiceerde, is ook in zijn nieuwe boek op zijn best. Dit keer ontkracht hij de mythe dat de bisschop van Rome, alias de paus, vanaf het begin de centrale figuur in de katholieke kerk is geweest. In werkelijkheid was dat pas zo na de verovering van Jeruzalem in 1099 – voor een periode van twee eeuwen. Na de Franse revolutie werd de pauselijke oppermacht , zoals we die nu kennen, bestendigd. Voor niet-ingewijden bevat het boek tal van interessante informatie. Zo is het aardig te lezen dat de paus in het Frankische rijk van Karel de Grote de centrale kerkleider was, terwijl hij er in het Byzantijnse rijk nauwelijks toe deed. Raedts: ‘de paus werd in ere gehouden, maar hij gold toch meer als een overlevende uit voorbije tijden dan als een lichtend baken voor de toekomst.’ Zoiets doet je het succes van de huidige paus meteen als iets tijdelijks zien.

Dat God niet bestaat kun je opmaken uit Dat hebben we gehad. [3], de vertaling van de WOI-klassieker Goodbye to all that van Robert Graves (1895-1995), geschreven in 1929 en uitgegeven in 1957. Behalve de beste memoires uit de loopgraven ooit, is het boek een Bildungsroman van een elitaire, jonge Engelsman van het type public school en Oxford, die het oorlogsgeweld als een loutering ervaart om daarna als een kluizenaar op Mallorca, vol afkeer van zijn geboorteland en de Britse upperclass, zijn beroemde historische romans I, Claudius en Claudius the God te schrijven. In zijn interessante voorwoord benadrukt schrijver Stefan Brijs dat hoe rijk deze memoires ook zijn aan anekdotes en frontdetails, ze gevoelens en empathie ontberen – uit afkeer van pathetiek en narcisme, die zoveel andere oorlogsmemoires kenmerken.

Opvallend is bij herlezing hoe reportageachtig het boek is geschreven en, zoals Brijs terecht opmerkt, hoe verslavend de oorlog was voor Graves, die zodra hij thuis was weer terug wilde naar de loopgraven.

In de mooie kleine boekjes van uitgeverij Voetnoot verscheen de sprookjesachtige en intrigerende vertelling Verzet! [4] van de Vlaming Bart Koubaa. Het verhaal speelt zich gedeeltelijk af in een landschap dat aan het tijdloze Vlaamse platteland doet denken, maar tegelijkertijd iets heeft van Rusland. De wodka vloeit rijkelijk en bijna iedereen heeft wel een Russische of Poolse naam. Alleen de aanwezige laptops verraden het heden. Door zijn korte zinnen doet Koubaa je bovendien denken aan een Sovjetschrijver uit de jaren vijftig als Grigori Baklanov.

In zijn voorwoord bij De 100 beste gedichten van de Eerste Wereldoorlog. [5] zegt Tom Lanoye terecht dat de Eerste Wereldoorlog ‘literair’ was, zie het werk van War Poets Rupert Brooke en Wilfred Owen. Maar behalve Engeland hebben ook andere landen goede ‘oorlogsdichters’ opgeleverd, zoals Valeri Brjoesov, Petr Kricka of Henri Guilbeaux, die bij het grote publiek veel minder bekend zijn. Mijn favoriet uit de bundel is de Hongaarse Margit Kaffka: ‘Wat zijn jullie met velen!.../ Miljoenen kleine soldaatjes waden/ Door bloednevel, bevroren moerassen, rook en as, over verwonde paden.’