Moeders zijn geen willoze wezens!

Negeren is het beste, maar soms lukt dat niet. En dan lees je tóch weer een bericht over het zware leven van de werkende moeder. Het gaat nooit over werkende vaders en het gaat altijd over problemen. Het proefschrift van Justine Ruitenberg gaf zo’n aanleiding. Conclusie: deeltijdwerken is en blijft voor moeders de norm en dus is emancipatie uit.

Uhh? Emancipatie betekent toch dat je vanuit een positie van gelijke rechten zelf kiest hoeveel uur je wilt werken? Dat Nederlandse moeders massaal in deeltijd werken, past gewoon bij hun voorkeur. Ze willen doorgaans niet meer uren werken. Dat zij die keuze kunnen maken – doordat er genoeg inkomen is in het huishouden – is ook een teken van welvaart. Vrouwen in bijvoorbeeld Portugal of Oost-Europese landen kunnen het zich niet veroorloven om deeltijd te werken.

De keuze van Nederlandse vrouwen voor een kleine deeltijdbaan is overigens lang niet altijd ingegeven door de zorg voor kinderen. Bijna een kwart van de vrouwen met een baan van minder dan 25 uur heeft helemaal geen minderjarige, thuiswonende kinderen. Een deeltijdbaan voor vrouwen is diep in de Nederlandse cultuur ingesleten. Dat verander je niet zo maar met stigmatiserende quota of ander schadelijk paternalisme.

Je verandert het ook niet door de discussie over werkende moeders te moraliseren met oordelen als: ‘een moeder die voltijds werkt is een slechte moeder’ of ‘een moeder die niet werkt heeft geen ambitie’. Met het proefschrift van Ruitenberg kwam daar een nieuw oordeel bij: moeders die in deeltijd werken, doen dat omdat hun omgeving dat van ze vraagt. Deze vrouwen worden weggezet als willoze wezens die hun oor louter laten hangen naar wat (ze denken dat) anderen van ze vinden. Moraliseren houdt de discussie gevangen in vermoeiende cirkels waar niemand wat mee opschiet.

Emancipatie mag dan uit zijn, het problematiseren van de combinatie van werk en zorg is helaas erg in. Dat staat meer participatie van vrouwen in de weg. Wat wel helpt, is behoorlijke randvoorwaarden creëren, zoals aangepaste schooltijden en kwalitatief goede kinderopvang tegen een redelijke prijs die niet voortdurend schommelt als gevolg van zwabberend overheidsbeleid.

En het helpt om naar de feiten te kijken. In 2001 stopte bijna één op vijf moeders met werken na de geboorte van het eerste kind, anno 2011 is dat één op de tien. Bleef in 2001 bijna vier op tien evenveel uren werken na de geboorte van het eerste kind, nu is dat meer dan de helft (54 procent). Het kostwinnersmodel, waarbij veelal de man voltijd en de vrouw niet werkt, is op z’n retour: in 2001 gold dat model voor bijna vier op de tien paren met minderjarige kinderen en in 2011 was dat afgenomen tot minder dan een kwart.

Tegen de heersende cultuur en moraliteit in zit er dus wel degelijk beweging in de arbeidsmarktkeuzes van vrouwen. Dat de participatie van vrouwen en het aandeel dat economisch zelfstandig is sinds 2009 niet meer toeneemt, komt door de laagconjunctuur. Voor mannen is op beide punten zelfs sprake van een afname, omdat de werkloosheid onder hen sterker steeg dan onder vrouwen.

Gelukkig zijn we over een jaar of tien verlost van al die ophef over de arbeidsmarktpositie van Nederlandse moeders. Dan neemt de omvang van de beroepsbevolking af en zullen werkgevers zich in allerlei bochten moeten wringen om genoeg goede mensen te krijgen. Daar profiteren ook werkende moeders van. ‘O, wilt u graag kinderopvang als u werkt? ‘Of uw kind om drie uur uit school halen en ’s avonds het werk afmaken? Prima, wordt geregeld.’ De krapte op de arbeidsmarkt dwingt bedrijven precies tot het soort gedrag dat nu gevraagd wordt.

Een arbeidsmarkt onder druk zal in dit geval prima werken. Ook dan zullen er misschien moeders (en vaders) zijn die niet of in deeltijd willen werken. Zo lang ze dat binnen hun eigen huishouden kunnen bekostigen, is die vrije keuze geen probleem maar een groot goed.