‘Mode kan je bevrijden’

D

e laatste paar edities van Amsterdam Fashion Week kwam ontwerper Aziz Bekkaoui (43) regelmatig kijken. Hij kon behoorlijk kritisch zijn over de modeweek, zegt programmadirecteur Carlo Wijnands. „Dus ben ik met hem gaan praten: ‘Je kunt wel een grote mond hebben, maar moet je zelf niet een keer showen?’ Ik wist zeker dat hij met iets bijzonders zou komen.” Bekkaoui nam de uitdaging aan. Donderdag 23 januari, op de openingsavond van de modeweek voor najaar 2014, geeft hij zijn eerste modeshow in tien jaar.

De afgelopen jaren presenteerde Bekkaoui zich op alternatieve manieren. Zo gaf een Weens theatergezelschap in allerlei steden in de wereld performances in ontwerpen van zijn hand, en kreeg hij kardinaal Simonis zover dat hij niet alleen een speciaal voor hem gemaakt gewaad aantrok tijdens een show, maar ook de modellen die de rest van de collectie showden zegende („Ik ben gefascineerd door de katholieke kerk”, zegt de als moslim opgevoede ontwerper.„Die rituelen zijn niet uit de hemel komen vallen, die zijn vormgegeven”). Hij maakte een collectie met ‘Lonsdale-burka’s’ en liet tijdens de presentatie van een collectie in de Dom in Utrecht Willem-Alexander en Máxima – toen nog prins en prinses – en leden van de Tweede Kamer meedoen aan een zelfbedacht vredesritueel.

Daarnaast maakte hij kostuums voor dans- en theatergezelschappen en de jurk met de meters hoge en brede hoepelrok die Marina Abramovic in 2005 droeg tijdens een van haar performances in het Guggenheim Museum in New York.

„Als modeontwerper geef je niet alleen vorm aan kleren”, zegt Bekkaoui. „Je moet zelf de manier waarop je naar buiten treedt creëren, hoe je je carrière inricht. Waarom zou je het doen als alle anderen?” Waarom nu dan toch weer een klassieke show? „De vraag kwam op een goed moment. Ik heb weer zin om de mode te vieren op een traditionele manier.”

Weinig Nederlandse ontwerpers hebben zo’n vliegende start gemaakt als Bekkaoui, die als zesjarige uit Marokko naar Voorburg verhuisde. Een jaar nadat hij was afgestudeerd aan de modeafdeling van ArtEZ in Arnhem won hij in 1996 de hoofdprijs op het festival van Hyères in Zuid-Frankrijk, een belangrijke internationale wedstrijd voor jonge ontwerpers. De jury viel voor zijn onverwachte gebruik van materialen en zijn hybrides, zoals de shirtrui, een mengvorm tussen trui en overhemd of een overall in de vorm van een smoking. Vanaf 1999 showde hij tijdens de mannenmodeweek in Parijs. Hij werd door Dior benaderd als mannenmodeontwerper (hij werd het uiteindelijk niet) en in 2002 kreeg hij een overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag.

In 2004 besloot hij te stoppen met modeshows. Niet omdat ze hem niet genoeg opleverden, zegt hij. „Ik heb altijd goed verkocht. Maar ik merkte dat veel mensen de modewereld raar vonden, zelfs een beetje eng. Als ze hoorden dat je modeontwerper was, waren ze meteen bang dat ze de verkeerde tas hadden. Ik heb een paar keer met koningin Beatrix aan tafel gezeten. Zij vroeg ook al of al die clichés over de mode nou waar waren. Ik besloot een andere weg in te slaan, meer contact te maken met de community.

Mocht hij die niet bereiken met zijn performances, dan doet hij dat wel met de „supercommerciële collecties” die hij maakt voor „grote warenhuizen” (welke mag hij van zijn opdrachtgevers niet zeggen) en de kleding voor personeel van ziekenhuizen, hotels en bibliotheken.

Met zijn halfjaarlijkse collecties is hij ondertussen altijd door blijven gaan. Hij verkoopt zijn exclusieve, opvallende mode voor mannen en vrouwen tegenwoordig vooral in zijn eigen ‘verkoopsalon’ aan het Singel in Amsterdam. Zijn klanten zijn kunstenaars, „professoren die over de hele wereld lezingen geven”, en ook Agnes Jongerius (ex-FNV) is een fan. Zijn grootste afnemer is, zegt hij, Marina Abramovic. Zij schaft voor haar privégarderobe meer bij hem aan dan „de rest van mijn klanten bij elkaar”.

„Het directe contact met mijn klanten helpt me bij het ontwerpen. Ontwerpen is oplossingen bedenken. Er komen hier mensen die maat 60 hebben. Ik maak mijn kleren zo dat zij hetzelfde kunnen dragen als superslanke klanten. Mode kan mensen helpen zich te bevrijden. Als iemand zich prettig voelt in een kledingstuk, vergeet hij dat hij brede heupen heeft, of maar 1 meter 60 is, en dan vergeet de omgeving het ook.”

De laatste jaren heeft hij de houding ten opzichte van mode zien veranderen. „Ik word nu door toparchitecten betrokken bij de inrichting van hotels, om te kijken waar bijvoorbeeld de lichtknoppen moeten komen. Men beseft dat modeontwerpers gevoel voor subtiliteit en verfijning hebben, omdat we zo dicht op de huid werken. Wij weten: als het niet goed aanvoelt, willen mensen het niet gebruiken.”