Nederzettingen op Mandaatgebied

illustraties cyprian koscielniak

De acties van Nederlandse bedrijven en instellingen (Haskoning, Vitens en PGGM) tegen Israël zijn, zo stelt men, gebaseerd op internationaal recht. Kernpunt daarbij is de stelling dat het gaat om activiteiten in ‘ bezette gebieden’, die ten goede komen aan ‘illegale nederzettingen’. De verwijzing naar het internationaal recht is echter aanvechtbaar. De gebieden kunnen namelijk niet zomaar als bezet worden gekwalificeerd en de nederzettingen niet als illegaal. De gebieden maakten oorspronkelijk deel uit van het door de Volkenbond in 1922 in het leven geroepen mandaatgebied Palestina. Zij werden in 1948 na een agressieoorlog tegen de jonge staat Israël zonder rechtsgrond door Jordanië bezet. Na de Zesdaagse Oorlog in1967, waarin Israël zich opnieuw moest verdedigen tegen een aanval van Arabische staten kwamen Judea en Samaria, inclusief Oost-Jeruzalem met de Oude Stad (‘Westbank’) in Israëlische handen. Er was hierbij geen sprake van bezetting van een territoir van een verdragspartij (Jordanië) door een andere verdragspartij (Israël). Het voorgaande is ook van belang voor de status van de Joodse nederzettingen in de omstreden gebieden. Door de critici van Israël worden deze als een inbreuk op het internationaal recht gezien. Ten onrechte. We moeten vaststellen dat de nederzettingen zich bevinden op het oorspronkelijke gebied van het Mandaat dat was aangewezen voor de vestiging van het Joods nationaal tehuis. Krachtens artikel 6 van het Palestina-mandaat hebben Joden het recht zich te vestigen in het gebied waarop dit van toepassing is. Via de overgangsbepaling in het VN-Handvest (art. 80) is het Mandaat juridisch nog steeds relevant.