Ik doe dit niet als hobby’tje erbij

Pristina

„Dit boek wilde ik eigenlijk niet schrijven. Na mijn debuut Op Zee, had ik plannen voor een boek over Spitsbergen. In het zwembad met mijn kinderen drong dit verhaal zich op. Ik schreef voor de Volkskrant tussen 2000 en 2005 over vreemdelingen. Het waren de laatste jaren van de grote golf. Die begon halverwege de jaren negentig en nam na 2002 af. De tijd dat vreemdelingen werden ondergebracht in huisjesparken en op campings. Dat Congolezen op de Veluwe in een maisveld sliepen. Afghanen in een feesttent bij Amsterdam bivakkeerden. Kosovaren en Irakezen in een afgedankt kazernecomplex in Arnhem.”

Handboeien

„Het boek is fictie, ik wilde een spannend verhaal schrijven. Maar mijn ervaringen hielpen bij het schrijven. Zittend op een barkruk in het Friese dorp Kollum zag ik Afghanen door de straat fietsen. Dat is hoe dan ook vervreemdend. Als in een film van Alex van Warmerdam. Ik weet welke handboeien gebruikt worden om asielzoekers onbeschadigd vast te binden. De handen worden met klitteband vastgezet onder een netje. Ik heb het verhaal bedacht maar er zitten veel dingen in uit het echte leven. Taïda Pasic uit Kosovo, de Afghaanse gymnasiaste Sahar Hbrahimgel, de Angolees Mauro Manuel, die zijn adoptie-ouders moest achterlaten maar toch op een studievisum mocht blijven. Het zijn vreemdelingen die een gezicht kregen en die iedereen zich herinnert.”

Vlieland

Ziet u: mensen houden in het algemeen niet van vreemdelingen, behalve als ze een vreemdeling leren kennen. Alles wat dichtbij komt is dierbaar.

„Dat zegt Albert Drilling in het boek. Hij is de IND-ambtenaar die ervoor moet zorgen dat vreemdelingen vertrekken. Ik heb een zwak voor vreemdelingen. En een zwak voor ambtenaren. En vooral voor Albert Drilling. Hij is in het boek de steile, keurige ambtenaar bij wie ‘regels zijn regels’ op de lippen bestorven ligt. Althans, zo lijkt het. Als lezer komt je er gaande weg achter dat het toch genuanceerder ligt. „De vreemdeling, Irin Past, woont op een waddeneiland. Dat eiland lijkt op Vlieland. Daar kwam ook een asielzoekerscentrum: 400 vreemdelingen op een eilandbevolking van 1.100 man. Er waren felle protesten. En toen ze weg gingen stonden de eilanders met tranen in hun ogen op de kade. Albert Drilling begrijpt hoe dat werkt.”

Madurodam

Het was de enige plek waar ze moeite voor wilde doen. Ze was, merkte ze, ín het eiland gegroeid als een zeewinde: een strandbloem met diepe wortels.

„Dat zegt Irin Past. Ik hou van de passie waarmee ze zich aan Nederland overgeeft. Dat heb ik vaak gezien bij vreemdelingen. Kinderen hangen posters van Nederlandse voetballers boven hun bed. Ouders nemen hun kinderen mee naar Madurodam. Ze zuigen Nederland op, ze willen het zich eigen maken. „Ze is sterk. Ze heeft de ambtenaar die haar wil wegsturen door. Ze is de eerste die hem laat wankelen.”

De minister

Maar het enige dat die minister doen kan, Irin – dat gaat hij ook doen, ik ken hem – is vasthouden aan de regels, harder dan ooit. Hij heeft niets anders dan regels. Hij is regels, met zijn hele lijf.

„Albert Drilling legt het Irin uit. Zo denkt de minister. Die heeft de macht. Geen makkelijke opdracht. Ik zou niet graag in de schoenen van de minister staan. Rita Verdonk, de minister van wie we zeggen dat ze het strengste beleid voerde, streek het vaakst met haar hand over het hart en gaf een verblijfsvergunning. Ze las de dossiers op zondagmiddag op de bank. Zo prozaïsch. En tegelijkertijd beslist ze over het leven van iemand. Ik heb een paar mensen aan een verblijfsvergunning geholpen. Een Chinese man, die in Dordrecht op straat werd gezet. Hij was ernstig ziek, hij had een nierprobleem. Zonder hulp zou hij doodgaan. Ik schreef over hem. De avond voor publicatie belde de woordvoerder van het ministerie. De minister heeft zijn handtekening gezet. Het is een goed gevoel. En tegelijkertijd heel wrang.”

Op zee

„Mijn eerste boek speelt zich af op zee. Bekend terrein. Journalisten die fictie gaan schrijven. Het is een groot avontuur. Kan ik dat wel? Ik kreeg veel goede en twee heel nare recensies. Een recensent noemde me een pretschrijver. Een pretschrijver, wat is dat? Ik doe dit niet als hobby’tje erbij. Toen kreeg ik die Franse literaire prijs. Echt absurd. Dat was wel een lange neus, ja. De hoofdredacteur van de krant belde of ik nog wel tweekolommers wilde schrijven. Natuurlijk! Het boek werd verfilmd. We gebruikten de boot van een vriend, die vriend was de schipper. Ik was erbij om aanwijzingen te geven. Ik lag op de bodem van de boot, net uit beeld. Ik voelde me matroos in mijn eigen verhaal.”

Zeilen

„Mijn twee grote liefdes ontdekte ik als jongetje van zeven: zeilen en schrijven. Ik woonde in Nijmegen en ging bij de zeeverkenners. Grote stalen bakken roeiden we de Maas op. Daar gooiden we een tros naar een binnenschipper en die sleepte ons naar Friesland. Levensgevaarlijk. Ontzettend leerzaam. Terug zeilden we. Ik ben het allebei mijn hele leven blijven doen.”

Schoolkrant

„Ik was 7 toen mijn opa vroeg wat ik later wilde worden, en ik zei journalist. Waarschijnlijk geen idee wat het was, maar ik vond het een mooi woord, zo herinner ik het me. Rond die tijd ging ik ook krantjes maken met een vriendje. Een schoolkrant, in de vijfde klas van de basisschool. Een dagboek. Verhaaltjes. Altijd de beste Sinterklaasgedichten willen maken. Mijn dochter doet dat ook. Op de school van mijn kinderen ben ik met een paar andere ouders ook een schoolkrant begonnen. Gewoon, omdat kranten maken leuk is.”

Bloem

„Ik heb drie kinderen, twee zoons, een dochter. De oudste gaat volgend jaar naar de middelbare school. Het loslaten begint. Ik zal die afhankelijkheid missen. Voor je kinderen ben je de belangrijkste persoon op aarde. En andersom ook. Dat is bijzonder. Mijn vrouw is arts, draait diensten. Met hulp van een hele goede oppas en opa’s en oma’s breien we de week aan elkaar. Ik denk wel eens: mijn ouders wilden dat hun kinderen het anders zouden doen. Ze leerden ons dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn en allebei moeten kunnen werken. Ik kom uit een idealistisch gezin, wij leven het ideaal van onze ouders na. Daar boeten ze nu voor, omdat ze steeds moeten opdraven. Ze vinden het niet erg. Zelfs toen de oppas een paar weken was uitgeschakeld door een operatie, ging het. Net. Het is hectisch, maar daar hou ik van. Mijn kinderen zijn heel trots. Toen mijn boek afwas, kocht mijn dochter van haar zakgeld een bloem.

IJburg

„Ik woon op IJburg. Ook een eiland. Nu is het een serieuze Amsterdamse wijk. Je hebt er een Blokker, een Hema en een Bagels and Beans. Het was af op het moment dat er stoplichten kwamen. Mijn vrouw en ik waren bewoners van het eerste uur. Klassiek verhaal: we woonden in het centrum, kregen ons eerste kind, het huis werd te klein. In 2004 wilde niemand hier wonen. We kochten ons huis voor eenderde van de prijs die later gevraagd zou worden. We waren eilanders, iedereen liep op slippers door het zand. De supermarkt zat in een grote tent. De jaren erna werd er gebouwd en gebouwd. Het is nog steeds een eiland. Mijn zeilboot ligt hier in de haven. Ik schrijf in de boot. Telefoon uit. Als in een cocon. En als ik wil, kan ik zo weg.”