Ik ben een crash test dummy

Haruki Murakami denkt nergens aan als hij hardloopt. De gedachten die in hem opkomen tijdens het rennen „zijn te vergelijken met de wolken aan de hemel”, noteert de cultschrijver in Waarover ik praat als ik over hardlopen praat. „Ze komen en gaan. Maar de hemel blijft altijd de hemel. De wolken zijn slechts gasten.”

Als je van jezelf niet zo’n grote denker bent, zou „lopen om een leegte te creëren” niet je doel moeten zijn. Ik ben juist blij dat ik tijdens het joggen eens een keer ongestoord kan denken – als tenminste niet mijn dochter belt met het verzoek of ik geld wil overmaken en ik al rennend ga internetbankieren.

Vaak stel ik mezelf aan het begin van een hardlooprondje een vraag: Koop ik een laptop of een iPad-mini? Schrijf ik me wel of niet in bij een relatiebemiddelingsbureau? Of: waarover zal ik deze week mijn column schrijven en wat zal dan de eerste en de laatste zin zijn? Niet zelden heb ik dan na een uur lopen het antwoord als een pier uit de grond gestampt.

Ik ben niet de enige die loopt te dubben/plannen/rekenen tijdens het rennen. Ik zag op internet een filmpje waarin Londense joggers, door een interviewer die achterop een brommer zit, wordt gevraagd: Waar denk je aan?

Een stoere bink met een Dr. Dre koptelefoon loopt te prakkiseren wat hij aan moet met zijn dementerende vader. Een vrouw met brede heupen denkt aan de kinderen die ze nooit kreeg. Een fris meisje met een muts kauwt op de zojuist gemaakte afspraak met haar vriend om minstens één keer per week seks te hebben.

Nadat ik dat filmpje had gezien, bekeek ik mijn mederenners opeens met andere ogen. De hardlopers die mij inhalen, zijn net zulke tobbers als ik zelf. Met zijn allen zijn we hier op zaterdagmiddag aan het loopdenken. Ik hoop dat zij net als ik...

KLABAM! Wat gebeurt er? Iets Ergs. Iets Heel Ergs. Wanneer stopt het? Het gaat door. Het is alsof ik uit mezelf treed. Ik zie mijn lichaam als een crash test dummy vooruit vliegen. Aan de contouren van mijn lichaam zie ik dat iets mij van achteren aanvalt. Maar een aanvallend object zie ik niet. Wat gebeurt er met me?

Even later zit ik bloedend op de grond en schreeuw het uit. Nog steeds heb ik geen idee wat me is overkomen. Een explosie kan het niet zijn geweest – om mij heen staat iedereen gewoon op zijn benen.

Een wielrenner is op mij ingereden, hoor ik. Een ambulance is onderweg. Ik ben een halve kilometer van huis, maar pas over negen uur zal ik weer thuis zijn: met een gat in mijn hoofd, een gekneusd bekken en een gebroken rib.

Zal ik ooit weer langs de rivier lopen zonder het besef dat je ieder moment van de sokken gereden kunt worden? Hoe kan ik die lieve vrouw opsporen die precies de goede dingen zei (bijna niets) en me warm hield met haar jas? Welke toon sla je aan tegen een man met melkboerenhondenhaar die schuldbewust een appeltaart en tulpen komt brengen? Dat zijn nou van die vragen die vragen om een uurtje hardlopen. Maar ik moet geduld hebben, voorlopig mag ik blij zijn als ik weer pijnvrij mijn veters strikken kan.

„Op de snelweg van het leven kun je niet de hele tijd op de inhaalstrook rijden”, schrijft Murakami. Wat ook waar is: „Het leven leg je stapje voor stapje af en je kunt maar één pas tegelijkertijd zetten.” Die laatste is trouwens niet van Murakami, maar van mijzelf. Sorry, als ik een uurtje had gehold, had ik een betere eindzin uit de grond gestampt.