Geen spits breekt door bij trainer De Boer

Toen Frank de Boer laatst werd gevraagd of hij in de race was als opvolger van bondscoach Louis van Gaal, moest hij grinniken. Voor die houding was iets te zeggen. De 43-jarige De Boer was dan wel onwaarschijnlijk succesvol bij Ajax, maar ook na drie landskampioenschappen op rij was zijn ontwikkeling als trainer nog in volle gang. Hij wilde eerst, zoals dat bij Ajax heet, nog ‘stappen maken’. Ook aanbiedingen van rijke buitenlandse clubs, zoals Tottenham Hotspur, legde hij naast zich neer.

De stap die De Boer nog moet maken ligt onmiskenbaar in de voorhoede. In feite is de Ajaxtrainer permanent aan het worstelen met zijn aanval — het deel van het team waar Ajax zich sinds de gloriedagen van Johan Cruijff, Marco van Basten en Patrick Kluivert op laat voorstaan. Denk je aan Ajax, dan zie je een aanvaller met flair langs een verdediger gaan en dat is precies waar het aan ontbreekt. Van de eindeloze rij spitsen en vleugelspelers die het sinds De Boers aantreden in december 2010 mochten proberen, is er niet één structureel op vooruitgegaan.

De actuele vraag is dan ook niet of Ajax voldoende topaanvallers opleidt of de juiste spitsen koopt, maar waarom de specifieke aanvallers die er zijn zo vaak wegzakken. Na korte perioden van aanstekelijke acties en doelpunten liepen kwetsbare spelers als Derk Boerrigter en Tobias Sana al snel met de ziel onder de arm, (binnenskamers) klagend over de vele tactische richtlijnen op het veld. De kritiek van hun perfectionistische trainer deed de rest. Niet omdat De Boer oneerlijk of onsympathiek is — betrokkenen vinden hem juist betrouwbaar, consequent, zelfs lief — maar omdat hij het knopje om de gevoelsmensen te raken moeilijk kan vinden. En de assistenten Hennie Spijkerman en Dennis Bergkamp vullen hem in dit opzicht weinig aan. De eerste is er te bescheiden voor en van de zwijgzame ex-aanvaller Bergkamp is ook binnen Ajax niet iedereen duidelijk wat hij nu eigenlijk bijdraagt.

De aanvallers lijken slachtoffer te zijn geworden van De Boers obsessie met tactiek en geestelijke weerbaarheid. De onervaren trainer had het roer nog niet overgenomen van de ontslagen Martin Jol in december 2010 of hij kondigde een nieuwe tijd aan: het positiespel — ‘typisch Ajax’ — zou centraal staan. Reputaties en individuen zouden ondergeschikt zijn. Hij hield woord. Van de twee grillige aanvallers om wie het bij Jol had gedraaid, verdween Luis Suarez naar Liverpool en werd Mounir El Hamdaoui terzijde geschoven.

In feite was de soap rond de eigenzinnige aanvaller El Hamdaoui de kern van zowel De Boers kracht als diens zwakte. De trainer kon of wilde de Marokkaanse Nederlander geen speciale behandeling geven. In de jaren daarvoor had El Hamdaoui namens AZ een serie mooie goals gemaakt onder trainers (Van Gaal, Dick Advocaat) met wie hij een soort verbondje had gesloten: zet mij op de troon en ik lever doelpunten. AZ werd landskampioen in 2009 en het prinsje El Hamdaoui werd topscorer van de eredivisie en Voetballer van het Jaar. In 2010 liep de teller onder Advocaat op tot twintig goals. De zwierige goalgetter verkaste naar Amsterdam, maar in tegenstelling tot Van Gaal wilde De Boer zijn soms afwijkende gedrag niet door de vingers zien. Frank ‘doe maar gewoon’ de Boer, voor wie iedereen gelijk is, liet El Hamdaoui vanaf januari 2011 anderhalf jaar wegkwijnen bij Jong Ajax, als voorbeeld van wat er met je gebeurt als je het ‘groepsproces’ verstoort.

Het groepsproces ontwikkelde zich fantastisch. Voor het eerst sinds jaren kroop er een duidelijke lijn in het Ajaxspel en inmiddels kan niemand nog ontkennen dat de saamhorigheid, de mentale kracht van het team is toegenomen. Het elftal, zoals de Boer het uitdrukt, zakt nauwelijks nog door de ondergrens.

Het succes is even knap als saai. Want behalve El Hamdaoui haakten ook onberekenbare aanvallers als Miralem Sulejmani, Lorenzo Ebicilio en Jody Lukoki (verhuurd aan SC Cambuur) af. Vleugelspelers van wie bij Ajax ooit veel werd verwacht, maar die niet konden meekomen in de nadruk op fouten en in ‘keihard werken’ en ‘het krachthonk in’ als meest gehoorde credo’s. Tel daar het gezwalk van centrumspits Kolbeinn Sigthorsson bij op, plus de stagnatie van diens vervanger Danny Hoesen en je ziet een treurige stoet van creatievelingen die er zonder de juiste benadering nog maar weinig van lijken te kunnen. De Spaanse huurlingen Isaac Cuenca (vorig seizoen) Bojan Krkic (dit seizoen) lieten mede door blessures maar weinig van de speelse dribbels zien waarvoor zij in Barcelona zo waren geprezen. En zelfs de tiener Viktor Fischer loopt hopeloos naar zijn bravoure van vorig seizoen te zoeken — en de Deen is niet eens een echte linksbuiten, maar een aanvallende middenvelder.

De oplossing is ook dit seizoen weer gevonden door middenvelders als Siem de Jong en Lasse Schöne — vorig jaar vaak Christian Eriksen — het werk van de aanvallers te laten doen. Middenvelders zijn meer gewend hun verstand te gebruiken, tactisch te denken, risico’s in te calculeren. Ze vinden het helemaal niet erg de bal net zo lang heen en weer te schuiven tot zich een niet te missen kans aandient.

Intussen voelen de verdedigers en middenvelders zich op hun gemak. De ene na de andere klimt op naar een hoger niveau en vertrekt mogelijk naar mooie buitenlandse clubs. Aan de instroom van knappe verdedigers uit de jeugd komt geen einde. Blijkbaar kan ex-verdediger De Boer het kunstje waar hij zelf in uitblonk — aanval opzetten, positie kiezen, anticiperen — briljant overbrengen op zijn spelers. Hartveroverend om te zien. Maar het blijft wachten op de behendige trucendoos die het voorin langer dan enkele maanden weet vol te houden. Uiteindelijk is het niet de berekening die liefhebbers in vervoering brengt, maar de intuïtie, de verbeelding van de aanvaller met lef. Denk aan Memphis Depay, Jean-Paul Boëtius, Renato Ibarra, Lucas Piazon: aanvallers die namens PSV, Feyenoord en Vitesse doen wat je bij Ajax nog maar zelden ziet: mannetje passeren. Iets geks doen. De fantasie op hol brengen.

Zou een sierlijke aanvaller met een mogelijk afwijkend ego als Depay in Amsterdam net zo kunnen functioneren als in Eindhoven? Je vraagt het je af. Misschien zou ook zijn ego na een tijdje onder het tactisch keurslijf gebukt gaan, zouden zijn impulsieve, riskante aanvalsacties geen kant opkunnen en zou hij, net als Fischer nu, met de bal gaan lopen in een kennelijke angst hem te verliezen.

Drie jaar gaat dat nu al zo en het leuke aan de immer toegankelijke Frank de Boer is dat je hem zulke kwesties kan voorleggen. Natuurlijk houdt hij van sierlijke aanvallers, zegt hij dan, maar ze moeten wel rendement opleveren. Hij weerlegt de kritiek, die ook binnen Ajax wel klinkt (hij zou niet met lastige, rare jongens overweg kunnen), met een verwijzing naar zijn eenvoudige uitgangspunt: gaat een aanvaller er zeven van de tien keer langs, mag ie blijven staan. Lukt dat maar drie keer, en moet een medespeler er steeds achteraan, dan wordt ie gewisseld. Balverlies mag niet. Rendement svp.

De Boer moet één kunstje — misschien wel het belangrijkste kunstje bij aanvalsclub Ajax — na drie jaar nog laten zien. Wie weet gebeurt het de komende, tweede seizoenshelft. Ajax roept van de daken dat een lichting toptalenten haar opwachting maakt, met als eerste kandidaat de creatieve aanvaller Ricardo Kishna. De negentienjarige buitenspeler heeft volgens De Boer „exceptionele kwaliteiten”. Maar dat zegt niet alles. Soortgelijke loftuitingen kreeg de pingelaar Aras Özbiliz in 2010 ook. Na zijn veelbelovende debuut en enkele wervelende optredens raakte Özbiliz de weg kwijt, en verdween gedesillusioneerd naar de Russische steppen.