De roep van orka’s is wel complex, maar dat maakt het nog geen taal

Waarom zouden we de vocalisaties van orka’s geen taal noemen? Dat vraagt Paul van Dongen zich af in een ingezonden brief naar aanleiding van het essay van Tijs Goldschmidt (Wetenschap, 4&5 januari).

Goede vraag. Argumenten om fluitjes, gegalm, geklik en geknetter van orka’s (maar ook liedjes van zangvogels) taal te noemen, worden vaker geopperd.

Wel wordt Van Dongens visie verkleurd door een taalbril. Zoals taalkundigen in hun enthousiasme nogal eens geneigd zijn om een grote diversiteit aan culturele, sociale én biologische verschijnselen te interpreteren als ‘talig.’ Wij menen daarentegen dat de vocalisaties van orka’s eerder verwant zijn aan muziek dan aan taal.

De melodische, ritmische en dynamische aspecten van het orkalied – aspecten die taalkundigen graag onder de term ‘prosodie’ scharen – zijn feitelijk de bouwstenen van muziek.

In de ontwikkeling van de mens is de gevoeligheid voor ‘muzikale prosodie’ al zo’n drie maanden voor de geboorte actief. Pas veel later, als de baby ongeveer zes maanden oud is, gaat deze muzikale prosodie een rol spelen in wat we taal plegen te noemen, zoals het herkennen van woordgrenzen.

Als een liedje ‘complex’ is, wil dat bovendien niet zeggen dat het zich houdt aan de regels van een grammatica zoals die voor een menselijke taal gelden. Het is ook onduidelijk of de syntaxis, de onderliggende structuur van het orkalied, zich wel laat vergelijken met menselijke taal, zoals dat ook bij zangvogels ter discussie staat.

Voor zover nu bekend komen vocalisaties dichter in de buurt van muziek dan van taal. Daarom lijkt het voorlopig adequater te spreken van liedjes, net zoals onderzoekers dat bij zangvogels gewoonlijk doen.