De Japanner voor wie de oorlog in 1974 voorbij was

Hiroo Onoda (tweede van links) op 11 maart 1974, toen hij zijn ‘strijd’ opgaf. Foto AFP

De Japanse soldaat die in 1974 wereldberoemd werd toen hij zich 29 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog overgaf, is donderdag op 91-jarige leeftijd overleden.

Hiroo Onoda veroorzaakte een sensatie toen hij op 10 maart 1974 de jungle op het Filippijnse eiland Lubang uitliep en symbolisch zijn zwaard overhandigde. In Japan werd hij als een held onthaald en zijn boek over zijn ervaringen werd een wereldwijde bestseller. Maar Onoda voelde zich niet meer thuis in het moderne Japan. Hij besloot naar Brazilië te emigreren.

In 1984 keerde hij terug nadat een Japanse tiener zijn ouders had gedood. Het nieuws greep hem hevig aan en hij stichtte de Onoda Shizen Juku (Onada Natuurschool) om kinderen te leren zelfstandig te worden.

Toen in februari 1945 de geallieerden Lubang aanvielen zat Onoda bij de inlichtingendienst. Hij moest guerrilla-acties uitvoeren en mocht zich onder geen beding overgeven of zichzelf het leven benemen. „Het kan drie of vijf jaar duren, maar wat er ook gebeurt, wij komen voor u terug. Tot dat moment moet u leiding blijven geven”, zei zijn commandant.

Overlevende Japanse soldaten splitsten zich op in kleine groepjes van drie of vier man. Ze hadden wel onderling contact, maar waren volledig afgesloten van de buitenwereld. Ze misten daardoor de radiorede van keizer Hirohito op 15 augustus 1945, waarin Japan zich overgaf.

Pas een maand later vonden ze een pamflet waarin stond dat de oorlog was afgelopen. Propaganda van de Amerikanen, besloten Onoda en zijn kameraden. Latere pamfletten werden ook niet vertrouwd.

Zelfs toen in 1959 zijn broer Toshio naar Lubang kwam om hem te overtuigen, bleef Onoda wantrouwend. Toen Toshio via een microfoon begon te zingen werden zijn gevoelens hem te veel en zijn stem brak. Dit overtuigde Onoda dat het niet zijn broer kon zijn.

Een poging in 1972 van zijn zus Chie en zijn andere broer, Tadao, mocht ook niet baten. Zijn wantrouwen, en training bij de Japanse inlichtingendienst, maakte dat hij het interpreteerde als een verhulde waarschuwing dat Japan het eiland wilde heroveren.

Door de jaren heen vielen zijn kameraden een voor een weg. Sommige gaven zich over, andere overleden. Maar Onoda hield vol. Hij leerde te overleven in de jungle. Zijn tanden poetste hij met vezel van palmbomen, een soort jungle-hennep werd katoen voor kleding, palmbladen werden wc-papier. Zijn geweer oliede hij met palmolie. Voedsel bestond uit bananen, kokosmelk en af en toe vlees van een gestolen koe.

Op 20 februari 1974 ontmoette hij midden in de jungle een jonge Japanse man die zijn leven drastisch zou veranderen. Het was de ontdekkingsreiziger Norio Suzuki. Onoda wilde hem ombrengen, maar Suzuki ontwapende hem met de woorden: „Onoda-san, de keizer en de mensen van Japan zijn bezorgd over u.” Onoda liet Suzuki foto’s maken, maar wilde zich niet overgeven zonder een bevel van een superieur. Op 9 maart ontving hij dit van een Japanse officier.

Toen hij zich overgaf was Onoda’s geweer, na 29 jaar in de jungle, in uitstekende conditie. Hij had nog meer dan vijfhonderd patronen.