De dingen

Z e had het gevoel dat er iets tussen geschoven was, iets tussen de wereld en haarzelf. Niet meer dan een vage notie was het, nauwelijks omlijnd en maar half bewust. Maar misschien kwam dat gevoel wel van binnenuit, beeldde zij zich alleen maar dingen in. Ze keek om zich heen, naar de tafel voor het raam met een oranje aardewerken fruitschaal. Ik moet appels kopen, dacht ze en liet haar ogen verder door de kamer dwalen. De kunstkalender aan de muur met een reproductie van een schilderij van een hooischelf. Monet. De letters onder de afbeelding gaven aan dat het juni was. Ze kneep haar ogen tot spleetjes en zocht de datum van vandaag: maandag 16. In een hoek van de kamer zoemde een vlieg. Ze draaide haar hoofd in de richting van het geluid, maar zag hem niet. Zat waarschijnlijk doodstil tegen de muur of vensterbank geplakt en wreef zijn voorpootjes tegen elkaar. Hij weet dat ik naar hem kijk, dacht ze. Ze staarde naar de lichtblauwe sokken aan haar voeten. Ik zou nieuwe schoenen kunnen gaan kopen, dacht ze, maar schoof die gedachte meteen terzijde. Zonde van het geld. Als de schoenmakerij er nog was geweest zou ze haar instappers hebben laten verzolen. Maar de schoenmaker was er een halfjaar geleden mee opgehouden. Een wat boerse man met een peper-en-zoutkleurige snor. U loopt uw schoenen naar buiten af. Misschien wordt het tijd voor een paar steunzooltjes. Op uw leeftijd. Het klonk licht verontschuldigend. Zij had glimlachend haar hoofd geschud. En nu opnieuw schudde ze haar hoofd bij de herinnering, alleen deze keer zonder erbij te glimlachen. Er was niemand in de kamer. Nu zag ze de vlieg. Hij trippelde in de richting van het naar binnen staande bovenlicht. Vlak voor de kier bleef hij zitten, vloog niet verder de wereld in, de vrijheid tegemoet.

Ze keek naar de straat beneden. Aan de rechterkant stonden auto’s geparkeerd. Het had iets met de straat te maken, dat gevoel van onrust dat haar nu door de kamer dreef, de gang door, naar de slaapkamer waar haar schoenen stonden. Op bed zittend trok ze ze aan, stond licht zuchtend op en liep naar de keuken waar haar huissleutels aan een haakje tegen de binnenkant van de deur hingen.

Op de hoek van de straat, vlak voor de brug, was een coffeeshop. Het terras stond uit. Ze ging zitten en keek naar een blauwe gemeentetram die over de brug de straat in reed. De wielen knarsten in de rails. Het meisje dat vroeg wat ze wilde drinken droeg een lichtblauwe huisjas met op de linkerborst de naam van de coffeeshop, De Brug. Toepasselijke naam. Vroeger had hier een café gezeten, Wonderland, en daarvoor de melk- en kruidenierswinkel van Jos Groenewegen. Lang geleden. Hoe lang precies? Ze schatte zo’n jaar of tien. Toch zag ze het gezicht van de kruidenier nog zo voor zich. Smal met een glanzende kin, alsof de kruidenier hem met boter had ingesmeerd. Blauwe ogen en bijna witte wenkbrauwen. Zijn vrouw was een kop kleiner en droeg haar bruine haar in een los permanent. Ze stonden naast elkaar achter de toonbank en kenden iedere klant van naam. Hij sneed de kaas en de worst af, zij deed de kruidenierswaren: koffie, thee, melk en eieren. Alles met trage, bedachtzame bewegingen. Groenewegen en zijn vrouw leken alle tijd van de wereld te hebben. Dat was de reden dat jonge mensen soms ongeduldig de winkel uit liepen. Tegen de voordeur hing de kruidenier iedere avond na sluitingstijd zijn sigarettenautomaat op. Als er iemand een pakje sigaretten trok – ze had het zelf meermalen gedaan – hoorde je zijn stem van achter de gesloten winkeldeur. ‘Bedankt voor de automaat.’ Maar ondanks hun voorkomendheid was de klandizie jaar na jaar teruggelopen, totdat de kruidenier en zijn vrouw, die de zestig gepasseerd waren, besloten de winkel te verkopen. Ze bleven boven de winkel wonen met hun zoon Arthur van zesentwintig. Arthur droeg zijn donkere haar lang. Hij zag er een beetje vies uit vond ze. Wat hij overdag deed was onduidelijk. Het café dat na een snelle verbouwing in de plaats van de kruidenierszaak kwam werd Arthurs ondergang. De hele dag bracht hij er door. ’s Avonds stommelde hij dronken naar boven. Ten slotte waren zij drieën plotseling vertrokken. Niemand wist waarheen. Na een tijdje waren de mensen de familie Groenewegen vergeten.

Zij niet. Ze roerde in het kopje cappuccino dat het meisje van de coffeeshop haar had gebracht. De Brug zat hier nog niet zo lang. Niet alleen de winkel van Jos Groenewegen met zijn glimmende kin was uit het straatbeeld verdwenen, ook de groentezaak van Dik Christiaans had het loodje gelegd. Allemaal de schuld van de supermarkt. Bij Christiaans stonden de kratten met sinaasappels, tomaten en meloenen in rekken gewoon op straat. Zij herinnerde zich hoe ze minutenlang de meloenen betastte, een voor een, om de rijpste eruit te pikken. In de supermarkt durfde ze dat niet. Tegenover haar huis was het Beddenpaleis, gedreven door een donkere man uit Iran, na een ‘totale leegverkoop’ gesloten. De etalageruiten waren met kranten dichtgeplakt en aan de gevel verscheen een bord van een makelaar: te huur.

Zo was het gegaan. Iets was tussen haar en de vertrouwde straat geschoven, iets dat mensen ‘vooruitgang’ noemden of waar zij hun schouders over ophaalden. Zo ging het nu eenmaal. Het aantal makelaarsborden dat uit de gevels stak nam steeds verder toe. Voor schoenen moest je nu naar het centrum.

Ze wenkte het meisje en rekende haar koffie af. Voor de open brug stond een lange rij auto’s te wachten tot de brug weer dicht zou gaan. Het was allemaal de schuld van de Albi-supermarkt. En van het internet, werd er laatst op de televisie beweerd. Mensen keken alleen nog maar in etalages om prijzen te vergelijken en bestelden vervolgens hun spullen via internetwinkels. Zij had er geen ervaring mee. Langzaam liep ze in de richting van haar huis. In een van de lege winkels had zich een crèche gevestigd. Voor het winkelraam stonden gele kinderstoeltjes en een laag tafeltje. Een meisje met donkere krullen en intens bruine ogen stond voor het raam naar buiten te kijken. Ze bleef staan. Het meisje drukte haar handen plat tegen het glas. Ze bukte en legde de hare aan de andere kant over de handjes van het kind heen. Het meisje begon te lachen. Ook zij moest lachen. Ze stond weer op en knikte het vriendelijk toe. Ze wuifde, maar het meisje had zich al omgedraaid.

Thuisgekomen legde ze een ogenblik allebei haar handen tegen het raam. Een tijd lang bleef zij zo staan. Toen ze haar handen terugtrok zag ze de vochtige handafdrukken langzaam in het glas wegtrekken. Het eerst verdwenen haar pinken, daarna de toppen van haar duimen, de drie middelste vingers hielden het laatst stand. Ze keek de kamer rond. De vlieg was verdwenen.

Recht tegenover haar, waar vroeger het Meubelpaleis had gezeten, zag ze plotseling een donkere hand boven de kranten, waarmee de winkelruit was volgeplakt, uitsteken. De hand begon voorzichtig de bovenste rij kranten los te scheuren. Hier en daar bleven stukjes krant tegen het raam kleven. Toen de hand de twee bovenste stroken had losgetrokken zag ze het gezicht en bovenlichaam van een donkere jongen met pikzwart glanzend haar. Hij was volkomen in zijn werk verdiept. Krant voor krant trok hij los en liet hem dan achter zich in de winkel vallen. Ze zag nu dat hij op een lage keukentrap stond. Toen hij klaar was schoof hij de ladder opzij en keurde het resultaat van zijn werk. De nu weer doorzichtige etalageruit, bespikkeld met stukjes achtergebleven krantenpapier, gaf uitzicht op het lege winkelinterieur. In bijna vervaagde slordig geschreven kalkletters was nog net zichtbaar wat er had gestaan. ‘Alles moet weg.’