De competitie is op ongezonde wijze in het systeem ingebouwd

Geroezemoes vult de ruimte. Achterin het café zit fysicus Ad Lagendijk (66) met een biertje. Straks gaan we een broodje bestellen. Eerst vertelt hij over de grote subsidieaanvraag die hij met collega’s bij onderzoeksfinancier NWO heeft ingediend. Het woord dat daarbij het vaakst valt is: ego’s.

Natuurlijk, wetenschap is teamwerk, hoezeer de romantische voorbeelden van de eenzaam ploeterende Isaac Newton en van Albert Einstein in zijn stoffige hoekje op het Bernse patentbureau ons ook op het verkeerde been hebben gezet. Zonder collega’s om mee te discussiëren, om steun en inspiratie bij te zoeken of om je juist tegen af te zetten, ben je als wetenschapper nergens.

Maar toch, elke keer spelen ook die ego’s op, zo blijkt uit Lagendijks relaas. Wie wordt de ‘eerste auteur’ op een subsidieaanvraag? Wie mogen meedoen en in welke rol? Hoe wordt het geld verdeeld – en daarmee de macht?

„Nee”, zegt Lagendijk, hoogleraar in Twente en emeritus-universiteitshoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, „de vergelijking die wordt getrokken tussen perverse uitwassen in de bankwereld en excessen in de wetenschap, gaat mank. Wetenschappers mogen in harde competitie zijn om roem en eer, maar: ze zijn niet uit op geldelijk gewin, op zelfverrijking.”

Maar wat je wel steevast aantreft zijn dus die grote ego’s, „mezelf inbegrepen”. Altijd al, trouwens. Kijk naar de kinnesinne tussen Sir Isaac Newton en Robert Hooke. „En nu is die competitie in het wetenschapssysteem ingebouwd. Op ongezonde wijze.”

De problemen begonnen in de jaren 80 toen het oio-en-aio-systeem werd ingevoerd en veel meer mensen konden promoveren. „Had de maatschappij behoefte aan extra wetenschappers?”, vraagt Lagendijk retorisch.

Zo ja, dan had men extra geld voor onderzoek moeten uittrekken. Zo nee, dan had men het aantal onderzoekers-in-opleiding moeten beperken. Maar het een noch het ander gebeurde. „En dat leidde tot het huidige, competitieve systeem dat gebaseerd is op het idee van de meritocratie. Niet iedereen kan de beste zijn, maar de beste wordt beloond – dat idee.”

Alleen: zo pakt het niet uit. Lang niet altijd komen de inhoudelijk sterkste wetenschappers bovendrijven. Relatief vaak zijn het juist zwakkere broeders, zegt Lagendijk, maar mét een gave om doelgericht te sturen op de eisen die het systeem stelt – via een competitie trouwens die „veel werk vergt en een schandalig laag honoreringspercentage heeft.”

De volgende vraag is natuurlijk: wat is daaraan te doen? En die is lastig te beantwoorden, zegt Lagendijk, want het huidige systeem omspant de wereld. En in de Verenigde Staten ziet men het probleem niet, dus...

Zelf heeft Lagendijk ooit iets anders geopperd. „Kijk, jonge onderzoekers gaan van het ene naar het andere tijdelijke contract en hun lot ligt in handen van beoordelaars bij onderzoeksfinanciers als NWO. En die mensen bij NWO? Die hebben vaste contracten. Voor hen staat er niets op het spel. Waarom dus geen tweede NWO opgericht - zodat ook die onderzoeksfinanciers moeten concurreren. Dan moeten ze beter nadenken over criteria en risico’s.”

Lagendijk schudt zijn hoofd. Zoiets zal niet gebeuren. Iedereen zit nu eenmaal in het systeem gevangen. Hijzelf ook. Hoe uitgesproken hij ook is – en dat klopt – toch heeft hij laatst afgezien van een kritisch opinieartikel in deze krant. Over de Nobelprijs. „Ik had, met collega’s, nog die grote onderzoeksaanvraag lopen. Ik dacht: de directeur van NWO komt van het Cern waar het Nobelprijswinnend Higgsdeeltje is ontdekt. Hij stelt mijn kritiek vast niet op prijs.”