Acht vragen over zelfplagiaat

Vorige week dinsdag publiceerde NRC Handelsblad onthullingen over onzorgvuldige bronvermeldingen in wetenschappelijke publicaties van Peter Nijkamp, sinds 1975 hoogleraar regionale economie en economische geografie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In de krant stonden voorbeelden van plagiaat en het op een ontoelaatbare wijze hergebruiken van eigen werk, ook wel ‘zelfplagiaat’ genoemd. Een dag later publiceerde de Volkskrant een vergelijkbaar stuk met eigen onderzoek waaruit ook bleek dat Nijkamp „hele stukken uit eigen werk kopieerde zonder dit aan te geven”. Nijkamp was eind vorig jaar in opspraak geraakt toen een proefschrift van een promovenda van hem plotseling werd uitgesteld wegens ‘onvolkomenheden’. Later bleek het om plagiaat te gaan.

Het stuk in NRC Handelsblad maakte veel commentaar los, waarvan een deel ook in deze krant is gepubliceerd. De VU besloot onmiddellijk tot het instellen van een onderzoek naar het gehele oeuvre van Nijkamp. Dat onderzoek zal geleid worden door Jaap Zwemmer, emeritus hoogleraar belastingrecht aan de UvA.

De berichtgeving leidde ook tot veel vragen en spot over ‘zelfplagiaat’: „Ik schrijf ook wel eens een zin van mezelf over”.

Nijkamp zelf wilde de krant niet te woord staan over de onthullingen. Eerder deze week noemde Nijkamp in het universiteitsblad Ad Valvas de bevindingen van de krant ongegrond („Als men uitgaat van kwade trouw, kan men van elke mug een olifant maken.”). Ook volgens lezers van deze krant en ombudsman Sjoerd de Jong was het onduidelijk wat Nijkamp nu eigenlijk wordt verweten. Daarom nu: acht vragen over de zaak-Nijkamp.

1Wat is ‘zelfplagiaat’ en hoe erg is het?

Zelfplagiaat is hergebruik van (delen van) eerder gepubliceerd eigen werk zonder volledige bronvermelding. Zelfplagiaat maakt de wetenschappelijke literatuur onoverzichtelijk voor collega’s en levert een vertekend beeld op van de productiviteit van een wetenschapper. Wetenschappers verschaffen zichzelf hiermee oneerlijk voordeel in de strijd om schaarse banen en subsidies. Het ondermijnt ook het onderling vertrouwen, dat noodzakelijk is voor de samenwerking tussen wetenschappers.

Van verzinnen en manipuleren van gegevens wordt Nijkamp niet beschuldigd. Dat is een kwalijkere vorm van wetenschappelijk wangedrag. Valse kennis heeft soms verstrekkende gevolgen, zoals bij vervalst geneesmiddelenonderzoek.

2Welke voorschriften zijn er en hoe duidelijk zijn die?

Vervalsing en plagiaat zijn overal verboden. Bij zelfplagiaat ligt het ingewikkelder. Dat wordt ook afgewezen, maar er is een groter grijs gebied waarin de tijdschriftredacties moeten afwegen of het gaat om ‘geringe overlap’ of grotere vormen van zelfkopiëring.

Er bestaan algemene internationale richtlijnen van de Committee on Publication Ethics (COPE) waarbij vrijwel alle grote wetenschappelijke uitgeverijen zijn aangesloten. Volgens het COPE-protocol over ‘redundant (duplicate) publication’ moet een redactie als ze een ‘minor overlap’ ontdekken in een reeds gepubliceerd stuk de auteur opbellen om ‘teleurstelling’ uit te spreken. Daarna moeten ze bespreken of er een correctie moet komen.

Als grote delen zijn gekopieerd en het betrokken artikel verder weinig nieuws bevat, dient het artikel zelfs te worden teruggetrokken. Als de auteur bij navraag een goede uitleg heeft (‘eerlijke vergissing’ of ‘zeer onervaren onderzoeker’) kan het bij uitleg van de juiste regels blijven. Zonder zo’n uitleg moet de redactie de betrokken autoriteiten van de onderzoeker waarschuwen: in feite aangifte van fraude. Het wordt auteurs zwaar aangerekend als zij een eerder eigen artikel volledig kopiëren of hebben geprobeerd het tijdschrift te misleiden.

Voor de Nederlandse universiteiten geldt ook een gedragscode van de VSNU uit 2012 waarin het gebruik van de termen ‘plagiaat’ en ‘zelfplagiaat’ niet expliciet genoemd wordt. Wel staat er in dat een wetenschapper niet mag pronken met andermans veren, dat auteurschap moet worden erkend en dat de in een vakgebied gebruikelijke regels moeten worden nageleefd.

Deze nadere voorschriften staan in de richtlijnen die de meeste tijdschriften aan inzenders van artikelen verstrekken. Het tijdschrift International Journal for Business and Globalization waarin Nijkamp en zijn toenmalige promovenda Karima Kourtit hoofdstuk 7 van haar proefschrift hebben gepubliceerd, bestempelt bijvoorbeeld zelfplagiaat/dubbelpublicatie als een vorm van plagiaat omdat het geen onderscheid maakt tussen putten uit andermans werk of eigen werk: de oorspronkelijke bron moet blijken uit het artikel, wie de auteur ook is geweest.

In de economische wetenschap bestaat stijgende onrust over onzorgvuldige bronverwijzingen. Hoofdredacteur Solmaz Karabag van Journal of Applied Economics and Business Research stelde in 2012 dat tijdschriften over business- en economische wetenschappen alert moeten zijn op plagiaat. Haar blad krijgt geregeld artikelen toegezonden die al zijn gepubliceerd onder andermans naam; en eerder gepubliceerde artikelen waarvan de inzender alleen de titel heeft veranderd. Bij een database-onderzoek vond ze opvallend weinig terugtrekkingen van artikelen van economen. Zij constateerde dat veel redacties geen beleid hebben voor omgang met plagiaat- en fraudegevallen.

In Nederland worden de algemene richtlijnen van de VSNU geïnterpreteerd door de universitaire integriteitscommissies (CWI’s) bij kwesties over plagiaat en niet erkennen van auteurschap. Deze commissies zijn daarin al diverse keren in hoger beroep teruggefloten door het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dat gebeurde bijvoorbeeld in Groningen, waar het CWI een geval van tekstueel plagiaat in eerste instantie afdeed als niet meer dan onzorgvuldigheid. En recent kreeg de Universiteit van Amsterdam een standje van het LOWI vanwege een te mild oordeel over een hoogleraar die in een juridisch handboek onvoldoende recht had gedaan aan de bijdragen van diverse co-auteurs. Mede door de huidige ophef rond Nijkamp gaan de samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) nu bestuderen of de code niet helderder moet worden op het punt van (zelf)plagiaat.

3Zijn er ooit wetenschappers na ontdekking van zelfplagiaat gestruikeld? Ja. Een bekend voorbeeld is de Zwitserse hoogleraar economie Bruno Frey. Hij kwam in 2011 in opspraak door vier artikelen over het zinken van de Titanic die grote overlap vertoonden. Op 3 mei van dat jaar publiceerde de editor van het Journal of Economic Perspectives, waarin een van de ‘dubbele’ artikelen was gepubliceerd, een open brief in het blad waarin hij excuses eiste van Frey wegens ‘ethisch wangedrag en disrespect’. Op dezelfde pagina werden de excuses van Frey gepubliceerd: „Het was een ernstige vergissing en we bieden onze diepe verontschuldigen daarvoor aan.” De Universiteit van Zürich verlengde Freys contract niet (de reden werd niet bekendgemaakt) en hij week uit naar een andere universiteit.

4Welke vormen van onzorgvuldige bronvermelding worden Nijkamp verweten?

In totaal staan er 664 working papers en memoranda en dergelijke, 324 tijdschriftartikelen en vele boekhoofdstukken op naam van Nijkamp. Uit een onderzoek van zeven van die publicaties (vier onderdelen van proefschriften die ook elders als wetenschappelijk artikel of boekhoofdstuk verschenen, een tijdschriftartikel en twee boekhoofdstukken) door deze krant blijkt dat Peter Nijkamp alleen al in die stukken drie keer plagiaat heeft gepleegd. Daarbij ging het steeds om enkele zinnen.

Daarnaast vond deze krant zeven voorbeelden van zelfplagiaat. Driemaal nam Nijkamp zonder bronvermelding passages over uit artikelen of hoofdstukken die hij samen met anderen had geschreven. Steeds ging het daarbij om grote tekstblokken: meerdere alinea’s achtereen, tot zelfs een heel hoofdstuk van een boek.

Zelfplagiaat

Nijkamp grijpt in artikelen die hij samen schrijft met promovendi ook vaak terug op teksten die hij zelf eerder produceerde, zonder de bron te vermelden. Hoofdstuk 5 uit het proefschrift van John Steenbruggen, die vorig jaar oktober is gepromoveerd, is samen met Nijkamp geschreven en verscheen in 2012 als artikel in het tijdschrift Transport Policy. Een tekstblok van 891 woorden (bijna twee A4’tjes) is terug te vinden in een artikel dat Nijkamp ook in 2012 publiceerde in Quaestiones Geographicae.

Hoofdstuk 2 van het proefschrift van Mediha Sahin, in 2012 gepromoveerd bij Nijkamp, is eerder als hoofdstuk gepubliceerd in een boek over ondernemerschap onder etnische minderheden. Nijkamp en Tüzin Baycan-Levent van de Istanbul Technical University waren hierbij co-auteurs. Een tekstblok van 177 woorden is terug te vinden in een artikel dat Nijkamp in 2003 publiceerde in Regional Studies.

Nijkamp schreef zichzelf nog tweemaal over. Een boekhoofdstuk uit 2006 komt grotendeels overeen met een wetenschappelijk artikel van zijn hand uit 2008. En hoofdstuk 7 van Karima Kourtits proefschrift, dat zij samen met Nijkamp schreef, bevat een passage uit een artikel van Nijkamp uit 2012.

Zelfplagiaat met co-auteurs

In ditzelfde proefschrifthoofdstuk zijn twee tekstblokken – het langste telt 365 woorden: ruim een half A4’tje – gevonden die vrijwel letterlijk zijn terug te vinden in een hoofdstuk van een boek over culturele diversiteit, gepubliceerd in 2010. Dat boekhoofdstuk schreef Nijkamp met de eerder al genoemde Baycan-Levent.

Verder schreef Nijkamp in 2007 een boekhoofdstuk waarin hij een tekstblok van 325 woorden vrijwel letterlijk kopieert uit een eerder boekhoofdstuk dat hij in 2004 schreef met collega-hoogleraar Erik Verhoef. Dat boekhoofdstuk uit 2007 publiceert Nijkamp trouwens in 2011 nog een keer in vrijwel identieke vorm, nu in het tijdschrift Regional Science Inquiry Journal, zonder verwijzing naar Verhoef en zonder verwijzing naar de twee eerdere boeken.

Verder komen in het mede door Nijkamp geschreven hoofdstuk 9 van het proefschrift van zijn promovenda Mediha Sahin uit 2012 passages voor uit een artikel dat Nijkamp in 2002 samen met Enno Masurel schreef in Growth and Change.

Plagiaat

In het eerder genoemde hoofdstuk 7 van het proefschrift van Karima Kourtit staan gekopieerde tekstblokken van andere auteurs, zonder bronvermelding. Dat is plagiaat. Kourtit schreef dat hoofdstuk samen met Nijkamp, als artikel in het International Journal of Business and Globalization. Het gaat om drie tekstblokken van respectievelijk 97, 31 en 30 woorden. Het blok van 30 woorden komt uit een artikel van de Britse econoom Christian Dustmann in het tijdschrift Fiscal Studies (2008). De twee andere blokken komen uit een working paper en een policy report, allebei van andere auteurs.

Op nrc.nl zijn de genoemde teksten na te lezen.

5Wat is de reactie van Nijkamp? In zijn betoog in Ad Valvas (zie ook inzet) zegt Nijkamp dat het in het moderne wetenschapsbedrijf onmogelijk is geworden om het individuele intellectuele eigendom van een databestand of een tekst is vast te stellen: „De huidige praktijk is veel weerbarstiger dan het achterhaalde solo-publicatie model.” Ook stelt hij dat NRC Handelsblad „mechanistische computerscans” heeft losgelaten op zijn werk, zonder rekening te houden met het soort publicatie. Ook beweert hij dat de voorbeelden niet deugen, bijvoorbeeld omdat ze betrekking zouden hebben op „halffabricaten” in plaats van op volwaardige publicaties.

6Klopt Nijkamps reactie? Nee. Er zijn gericht zeven publicaties gekozen uit zijn werk. Het plagiaat en zelfplagiaat daarin is niet ontdekt met ‘mechanistische’ plagiaatsoftware. Uit de zeven publicaties werden tekstblokken gegoogled. Als na een kwartier zoeken geen overeenkomsten met andere publicaties waren gevonden, zoals in een van de gevallen, werd de zoektocht afgebroken. Zes van de zeven publicaties leverden overeenkomsten op met andere publicaties, zonder correcte bronvermelding.

Volgens Nijkamp zou een van de betrokken artikelen geen ‘echt artikel’ zijn, maar een ‘tussenproduct’: een collegeverslag dat later in een lokaal tijdschrift zonder peer review of impactfactor is opgenomen. Het genoemde artikel is echter een review, een bespreking van de bestaande literatuur over een onderwerp: geen tussenproduct. Verder gaat Nijkamp nauwelijks in op het gesignaleerde hergebruik van teksten die hij samen met anderen heeft geschreven.

7Welke onderzoeken zijn ingesteld naar Nijkamp?

De VU heeft in mei 2013 een integriteitscommissie ingesteld onder leiding van emeritus hoogleraar Pieter Drenth, met de opdracht om een plagiaatklacht te beoordelen over het proefschrift van Nijkamps promovenda Karima Kourtit. Nijkamp was co-auteur van vrijwel alle hoofdstukken. Het rapport-Drenth is niet openbaar gemaakt. Wel verscheen in november een kort persbericht waarin sprake was van „tekortkomingen” in het proefschrift en in december een samenvatting die melding maakte van hergebruik van eigen teksten zonder bronvermelding en van plagiaat.

8Waarom reageren sommige wetenschappers relativerend?

Veel wetenschappers reageren op het woord ‘zelfplagiaat’, dat zij soms zelf ook wel eens hebben gedaan (‘een handig zinnetje hergebruiken’). Dat komt door het grijze gebied. Bij zelfplagiaat moet altijd worden gekeken naar de omvang van de overnames; niemand veroordeelt overname van zinnetjes of zaken die moeilijk anders kunnen worden verwoord. Aan de onduidelijkheid heeft bijgedragen dat de voorbeelden op de NRC-site een fout bevatten en dat de lijst met alle voorbeelden niet op nrc.nl is gekomen. Dat gebeurt nu alsnog.