Wat doet zo’n man daar eigenlijk?

Zonder enige ervaring is Seedorf deze week aangesteld als coach van AC Milan Dit stelt ons voor vragen Wat moet een trainer kunnen? Heeft hij eigenlijk nut?

De 37-jarige Clarence Seedorf was nog lekker aan het voetballen in Brazilië en mag nu ineens beginnen als hoofdtrainer van AC Milan. Zonder ervaring als trainer. Hoe zou het hem vergaan?

Marco van Basten weet het wel. Seedorf is een riskante keus van Milan, zei hij deze week tegen de NOS. Het trainerschap is namelijk iets anders dan voetballer zijn. Van Basten kan het weten: in 2004 werd hij bondscoach zonder noemenswaardige trainerservaring. In de groepsfase van het EK 2008 lauwerde men hem om zijn eigenzinnige keuzes, maar na de mislukte kwartfinale tegen Rusland verstomde de lof. Van Basten stapte over naar Ajax, waar hij na een matig jaar weer vertrok.

Het trainerschap als een achtbaan van falen en bejubeld worden – het lijkt erbij te horen. In 2009 werd Mario Been juichend binnengehaald als nieuwe trainer van Feyenoord. ‘De Verlosser’ moest ervoor zorgen dat Feyenoord weer ging meetellen in de top. Twee jaar later werd Super Mario met pek en veren de Kuip uitgejaagd. Hij had de verwachtingen niet waargemaakt. Been werd opgevolgd door Ronald Koeman, die op zijn beurt was ontslagen bij Valencia (2008) en AZ (2009).

Ontslag van de coach na tegenvallende resultaten komt geregeld voor. In de eerste helft van dit seizoen ontsloegen NEC, Helmond Sport, AZ, Sparta Rotterdam, Roda JC en De Graafschap hun hoofdtrainer. Dat is een zorgelijke ontwikkeling, zegt Gerard Marsman, directeur van belangenvereniging Coaches Betaald Voetbal. „Zes is te veel. Dat zouden er één of twee, maximaal drie moeten zijn.”

Aan de ene kant lijkt het trainerschap een vak dat iedere ex-voetballer kan uitvoeren – zie de aanstelling van Seedorf. Anderzijds zijn de eisen erg hoog. Wanneer een team niet goed presteert, is de positie van de coach al snel ‘niet meer houdbaar’. Dit stelt ons voor vragen. Wat voor kwaliteiten moet een trainer hebben? Hoe groot is zijn invloed op het spel eigenlijk? En heeft het zin om een trainer te ontslaan als de resultaten tegenvallen?

Voetbalwereld bestaat uit kampen

Welk antwoord je op deze vragen krijgt, hangt er deels vanaf aan wie je ze stelt. De voetbalwereld bestaat uit kampen die elkaars opvattingen fel bestrijden. Sommigen vinden de coach zeer belangrijk, voor anderen is hij een randfiguur.

Foppe de Haan, oud-trainer van Heerenveen en Jong Oranje, zit in het eerste kamp. „Als je goed bent, kun je een enorme invloed uitoefenen op de manier van voetballen. Een mooi voorbeeld is Pep Guardiola. Hij is groot geworden bij Barcelona en laat Bayern München nu voetballen op de manier die hij bij Barcelona ontwikkelde.” Studio Sport-verslaggever Joep Schreuder is het met hem eens: „Een trainer is allesbepalend. Hij kan een speler maken of breken, hij bepaalt de tactiek.”

Voetbaljournalist Johan Derksen behoort tot het andere kamp. De invloed van trainers wordt overschat, zegt hij. „Ze zijn totaal afhankelijk van de kwaliteiten van het materiaal dat ze tot hun beschikking hebben. De spelersgroep is belangrijker dan de trainer. Je kunt al die toptrainers bij een club uit de eerste divisie neerzetten en dan is het resultaat nihil.”

Waar de kampen het wel over eens zijn: het trainerschap is de afgelopen decennia veranderd. De trainer heeft meer taken gekregen en een hele staf om zich heen verzameld.

Foppe de Haan heeft de veranderingen zelf meegemaakt. Toen hij in 1985 begon bij Heerenveen was hij alleen, naast de secretaresse en het bestuur. In de jaren erna werd het professioneler. Met de Olympische Spelen in 2008 gingen er twee trainers mee, een keeperstrainer, twee fysiotherapeuten, een verzorger, een dokter, een teamleider. En dat zijn dan nog de Spelen: bij een WK is de staf nog groter. De Haan: „Vroeger was de trainer een oefenmeester die vooral op het veld stond. Tegenwoordig bestaat zijn werk uit delegeren. Hij moet visie hebben, richting geven. De druk is hoger. Als je wint tel je mee, als je verliest ben je uit beeld.”

Wie hoofdtrainer wil worden in het betaald voetbal, moet een vierjarige opleiding volgen bij de KNVB. Daar leren aspirant-trainers technische zaken over trainingsopbouw, maar er is ook aandacht voor managementvaardigheden en psychologie.

Want een trainer is niet meer in de eerste plaats een technisch genie of een tactische meester. Hij moet bovenal een people manager zijn. Joep Schreuder: „Oud-bondscoach Ernst Happel zei altijd: ‘kein gelul, fussbal spielen’. Happel en Rinus Michels waren de succesvolste trainers van de jaren zeventig, en ze waren allebei horken. Dat kan nu niet meer, zonder een beetje sociale intelligentie red je het niet.”

Johan Derksen beaamt dat: „Als je geen goede people manager bent, ga je op tenen staan, zeker nu er zoveel nationaliteiten in één elftal zitten. Toen Guus Hiddink bij PSV zat, aten alle spelers uit zijn hand. Zijn opvolger Huub Stevens had binnen een paar maanden ruzie met iedereen.”

Het belang van sociale vaardigheden komt ook door de toegenomen status van de voetballers zelf. Foppe de Haan: „Vroeger vonden ze het leuk om te voetballen, waren ze dienstbaar. Nu hebben ze veel grotere ego’s.” Derksen: „Die jongens zijn allemaal eerder miljonair dan volwassen. Probeer jij twintig piepjonge miljonairs maar eens te motiveren. Daar heb je speciale kwaliteiten voor nodig.”

Bij het mensenmanagen kan het om kleine dingen gaan. Toon Gerbrands, oud-volleybalcoach en nu directeur van AZ, vertelt: „Soms helpt het om boos te worden, soms juist helemaal niet. Dat moet je aanvoelen. Soms kan één woordje iemand helpen.” Joep Schreuder: „Guus Hiddink staat erom bekend dat hij mensen zich op hun gemak laat voelen. Hij geeft ze een schouderklopje. En Foeke Booy, de trainer van Go Ahead Eagles, wist dat de vrouw van een van zijn spelers ziek was. Zulke persoonlijke interesse kan heel belangrijk zijn.”

Weten hoe de bal rolt

Er zijn ook mensen die vinden dat alleen oud-topvoetballers goede coaches kunnen worden. Zij weten hoe de bal rolt, hoe de kleedkamer ruikt. Johan Derksen: „Een trainer die zelf niet gevoetbald heeft op hoog niveau, ontwikkelt geen tactisch inzicht. Om zo’n KNVB-cursus moet ik een beetje lachen. Daar word je overspoeld met theorie. Het is niet zo dat je het vak beheerst als je daar vandaan komt.”

Gerard Marsman is het niet met Derksen eens. „Het is prima dat oud-topvoetballers een verkort traject volgen, maar ze moeten ook praktijkervaring opdoen. Frank de Boer is bijvoorbeeld begonnen bij de jeugd van Ajax. Dat lijkt me beter dan aan de top beginnen, zoals Seedorf.” Ook Toon Gerbrands noemt trainerservaring een belangrijke vereiste voor succes. En dat alleen oud-topvoetballers goede trainers zouden zijn, vindt hij onzin. „Kijk naar mensen als Van Gaal en Adriaanse. Die hebben hoogstens in de subtop gespeeld.”

Er spelen ook factoren mee waarop je minder invloed hebt. Zoals: heb je zelf bij de club gespeeld? Wat is je staat van dienst? Vindt het bestuur je aardig? Op welk moment stap je in? Joep Schreuder: „Het zijn dit soort omgevingsfactoren die je krediet bij een club bepalen.”

En als je krediet op is, zijn je dagen als trainer geteld. Zonder scrupules zet het bestuur je aan de kant, hoe kort je ook in dienst bent.

Volgens een hardnekkige theorie zou het ontslaan van de coach nuttig zijn vanwege het ‘schokeffect’: de komst van een nieuwe trainer zou de spelers wakker doen schrikken waardoor ze beter gaan presteren. Dit schokeffect is door de wetenschap uitgebreid onderzocht. In 1994 concludeerde de econoom Harry van Dalen al dat het schokeffect niet altijd optrad. Nog stelliger was de econometrist Ruud Koning, die in 2000 na uitgebreid onderzoek geen bewijs vond voor verbeterde prestaties na trainersontslag.

Latere studies bevestigden deze conclusies. Uit onderzoek in 2011 naar de Spaanse Primera Division bleek dat teams alleen kortstondig beter presteren na het ontslag van hun trainer. Onderzoekers die in 2012 de Italiaanse Serie A onderzochten, vonden helemaal geen effect.

Waarom gebeurt het dan toch zo vaak? De wetenschappers die de Serie A onderzochten, suggereren dat clubbesturen proberen de aandeelhouders en supporters tevreden te houden door de trainer te ontslaan. Zelf kunnen zij dan buiten schot blijven. Foppe de Haan is het daarmee eens. „Als het niet goed gaat is de zondebok altijd de coach, die kun je makkelijk wippen.”

Hard werken, de hoofdschuldige zijn bij elke tegenslag, permanent vrezen voor je baan – het klinkt niet aantrekkelijk. Toch is er volgens de KNVB geen afnemend animo voor het trainerschap: het aantal deelnemers aan de cursus Coach Betaald Voetbal ligt stabiel op zestien tot achttien deelnemers per jaar.

Blijkbaar blijft het beroep tot de verbeelding spreken. Niet zo wonderlijk: coaches als Johan Cruijff, Alex Ferguson en Pep Guardiola waren of zijn minstens even populair als hun beste spelers. Goede trainers worden aanbeden als goden of tovenaars, en ze gaan ook nog eens langer mee dan voetballers. Als Seedorf talent blijkt te hebben, kan hij nog dertig jaar schitteren.