Trainersvak blijkt een ervaringsvak

Was het jaloezie? Waarom moest Marco van Basten, voormalig topspits en nu trainer van sc Heerenveen, nu zo nodig het feestje rondom Clarence Seedorf verpesten?

Gisteren begon Seedorf zonder noemenswaardige trainerservaring als eindverantwoordelijke bij AC Milan, topclub in verval. De reacties op zijn aanstelling waren vol lof, en veel commentatoren vonden het ook best logisch dat Milan de 37-jarige middenvelder direct na zijn spelerscarrière hoofdtrainer maakt. Is Seedorf immers geen geboren trainer, bij wie je al eindeloos veel voetbalwijsheid kon bespeuren toen hij op zijn zestiende debuteerde bij Ajax?

Maar Van Basten zei tegen de NOS dat hij de aanstelling van Seedorf „niet heel verstandig” vindt. „Milan is een grote club en zit momenteel met veel moeilijkheden. Ik denk dat ze daar een ervaren trainer kunnen gebruiken. Ze kiezen voor Seedorf. Wat ook wel weer te begrijpen is, maar aan de andere kant is het ook wel een risico, denk ik. Je moet maar afwachten hoe hij het daar gaat oplossen.”

Zelf was Van Basten onderwerp van debat toen hij in 2004 bondscoach werd. Weliswaar was hij toen al negen jaar gestopt als speler, maar als trainer had hij slechts een jaar ervaring, bij Jong Ajax. Dat verleidde Co Adriaanse tot de opmerking dat „een goed paard nog geen goede ruiter hoeft te zijn”.

Van Basten heeft wel een punt, zegt de Britse voetbalauteur Simon Kuper. „Er is geen enkel verband tussen goed kunnen voetballen en een goede trainer zijn.”

De laatste jaren, zegt Kuper, zie je een trend dat een opleiding tot trainer steeds belangrijker wordt. „Dat komt onder anderen door José Mourinho, die nauwelijks ervaring had als speler, maar alle benodigde trainerscursussen heeft gevolgd en succes heeft. En door Diego Maradona, die ondanks zijn schitterende carrière als speler totaal mislukte als bondscoach van Argentinië.” Mourinho heeft weleens gezegd dat het juist een voordeel is voor een trainer als hij geen topvoetballer is geweest – dan is er immers „meer tijd om te studeren”.

Van Basten is wel consequent in zijn opvattingen. Drie jaar geleden zei hij in een interview met Trouw over zijn tijd als trainer bij Ajax, die mag worden beschouwd als mislukt: „Ik was veel te ambitieus en te goedwillend. Ik wilde het beste voor Ajax, maar ik wilde te graag, te goed en te snel. Toen dat niet meteen lukte, frustreerde ik daar mezelf mee. [...] Ik ben steeds meer gaan beseffen dat het trainersvak een ervaringsvak is.” Overigens was hij toen al vier jaar bondscoach geweest.

De trainerscarrières van oud-topspelers als Maradona, Ruud Gullit en Lothar Matthäus lijken uitgedoofd. Topclubs zien meer in types als Brandan Rodgers, de Noord-Ierse manager van Liverpool die slechts twaalf duels speelde als prof en zich daarna al vanaf jonge leeftijd tot trainer schoolde. Kuper: „Het kiezen voor een trainer vanwege zijn grote naam zie je nog wel in bijvoorbeeld Dubai. Maar in Europa is je status als speler vaak niet genoeg.”

Het grote voordeel voor Seedorf, zegt Kuper, is dat hij het „alleen maar beter kan doen” dan zijn voorganger Massimiliano Allegri, onder wiens leiding de club is gezakt naar de elfde plaats op de ranglijst. „Ik verwacht een jubelstemming. De mensen zullen zeggen: zie je wel, hij is net zo’n held als toen hij nog speler was.” Volgens de auteur hangen prestaties meer samen met de spelerssalarissen dan met de coach. „Slechts een op de tien trainers maakt echt verschil. Of Allegri of Seedorf nou voor die groep staat, dat maakt niet zo veel uit.”