Syrië: wegkijken uit teveelwetendheid

Natuurrampen, dierenwelzijn – we doneren wat af. Maar Arabieren die elkaar bestoken, raken ons niet. Ons hart is dichtgeslibd met informatie, vreest Désanne van Brederode.

26 december 2013: een kind, gewond geraakt bij beschietingen van het Syrische regeringsleger. Te zielig om te zien? ‘Niet geschikt voor kleine kinderen?’ Foto Reuters

Sinds de studentenopstanden, eind jaren zestig, zijn demonstraties een geëigend middel voor bezorgde burgers om aandacht te vragen voor zaken waar hun regering en landgenoten te weinig oog voor hebben. Zo demonstreerden in 1973 in Utrecht 80.000 mensen tegen de door Amerika gevoerde oorlog in Vietnam. Een jaar later herdachten 20.000 demonstranten in Amsterdam de bloedige staatsgreep in Chili, op 11 september 1973. Engagement betekende voor velen ook dat je je aansloot bij (een regionale afdeling van) een actiecomité.

Informatiebijeenkomsten en krantjes met nieuws van ondergrondse verzetsorganisaties ter plekke, maakten dat men de solidariteit en hulp volhield, en zich actief inspande voor de opvang van vluchtelingen in Nederland. Ook nu, veertig jaar later, blijven er groepjes mensen actief voor het land dat ze ooit in hun hart hebben gesloten: uit niets anders dan medeleven met het tragische lot van onschuldige medemensen. En uit verontwaardiging over de Nederlandse en internationale opstelling in het conflict.

De anti-kernwapendemonstraties in 1981 en 1983 blijven, met 400.000 respectievelijk 550.000 deelnemers, onovertroffen. Maar er wordt in Nederland nog regelmatig gedemonstreerd: niet alleen voor de eigen zaak, maar ook tegen racisme, schendingen van het dierenwelzijn, een harteloos cultuur- of dito asielbeleid. Het homovijandige klimaat in het Rusland van Vladimir Poetin brengt mensen op de been, evenals de arrestatie van de punk-protestgroep Pussy Riot, en later van de Greenpeace-activisten die vastzaten in Rusland.

Er zijn natuurlijk méér redenen om Poetin aan te klagen, zoals de schrijnende armoede waarin veel Russen leven, de gewelddadige vreemdelingenhaat, en de steun die Rusland biedt aan het regime van de Syrische president Bashar al-Assad. Maar misschien spreken die minder tot de verbeelding?

Natuurrampen wakkeren medeleven aan, de geefbereidheid is dan groot. De burger die in mondiale kwesties is geïnteresseerd, kan op veel plekken zijn licht opsteken en laten schijnen. Je kunt documentairefestivals, debatavonden en markten voor ‘goede doelen’ bezoeken, een project adopteren, petities opstellen en laten ondertekenen via avaaz.org of causes.com, of als kritische consument het verschil maken door te kiezen voor fair trade. Dat is zelfs constructiever dan een boycot, of het aanplakken van boze posters.

Maar juist dit enorme aanbod leidt tot kortstondige betrokkenheid. Tot versnippering én ‘onzichtbaarheid’. De recente zwartepietendiscussie, gevoerd op Twitter en Facebook, trok veel media-aandacht, wat resulteerde in nóg meer bijdragen eraan. Mooi dat er nog steeds zoiets kan ontstaan ‘van onderop’, dus zonder de hulp van professionele instellingen. Des te opmerkelijker dat een spontane, massale uiting van verontwaardiging uitblijft als het gaat om de erbarmelijke situatie in Syrië. Het is en blijft stil – al vanaf de vreedzame demonstraties in maart 2011, tegen de jarenlange dictatuur van vader en zoon Assad, die bloedig werden neergeslagen door de regeringstroepen. Van een burgeroorlog was nog geen sprake, maar de term werd toen al wel veelvuldig gebruikt.

Eén grote stammenstrijd

Inmiddels lijkt er inderdaad sprake van een ‘typisch’ intern Midden-Oostenconflict. De stemming bij ons is: ‘Om het minste hakken die Arabieren elkaar de kop in. Dan komen er meestal radicale moslimclubjes bij, die op veel aanhang kunnen rekenen. Het is daar één grote stammenstrijd; men weet zich hooguit verenigd in de haat tegen Israël, Amerika en ‘het Westen’. Hoezo roep om vrijheid, mensenrechten, democratie? Ze maken allemaal vuile handen, allemaal willen ze meer macht.’

Assad, een slimme dictator, spint alleen maar garen bij de ontstane chaos. Hij toont zich nu zelfs een verantwoordelijke leider, die wil meewerken aan het verdrag tegen chemische wapens.

Intussen gaan de slachtingen met reguliere wapens en brandende olievaten onverminderd door. Miljoenen mensen zijn op de vlucht. Het regeringsleger blokkeert de toegang tot hele woonwijken, waardoor hulpverleners en leveranciers van levensmiddelen de onschuldige bewoners niet kunnen bereiken. Mensen zien zich gedwongen afval, huisdieren en gras te eten om daarna alsnog te sterven van honger, uitputting, kou en gebrek aan de simpelste medicamenten.

Maar: alles liever dan een sharia-regime van griezelige moslimbaarden...

Excuus voor zwijgen

Soms lijkt het alsof het Nederlanders prima uitkomt dat ze de oorlog in Syrië kunnen afdoen als een lokale aangelegenheid tussen opgewonden extremistische moslims – en dat ze de beeldvorming aangrijpen om een excuus voor hun zwijgen te hebben: ‘Inmenging verergert de zaak alleen maar, kijk maar naar Irak en Afghanistan.’

Niets doen komt niet voort uit onwetendheid, maar uit ‘teveelwetendheid’. Het hart is dichtgemetseld met informatie. Als er nog wordt geklaagd, dan is het over de krant die op de voorpagina een foto plaatst van kinderen die zijn getroffen door een gifgasaanval. ‘Hoe durven jullie?! Ik moest de krant weghouden van mijn kinderen...’

We lijken niet meer te beseffen dat onschuldige kinderen in Syrië dagelijks zulke beelden moeten zien. En dat er dan geen krant valt weg te houden.

Wat kunnen we doen? Ik kan die vraag niet voor iemand anders beantwoorden. Maar de vraag moet wel worden gesteld, hardop, en liefst door grote groepen machteloze maar meelevende, bezorgde burgers tegelijk.