Medici publiceren het meest

Ed Noijons met zijnhond Saar. Foto Rien Zilvold

Ed Noijons heeft net koffie gezet. In de woonkamer ligt hond Saar – ras: boerenfox – op een rood kussen te slapen. Noijons woont in hartje Utrecht, maar werkt aan de Universiteit Leiden, bij het Center for Science and Technology Studies. Het instituut is vermaard om zijn analyses van de mondiale wetenschappelijke literatuur.

Want daarover gaat dit gesprek. Over artikelen, en publiceren. Preciezer gezegd, over heel veel publiceren. Zoals Peter Nijkamp doet, de hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, die vorige week onder vuur kwam te liggen. Wie zijn verder eigenlijk de publicatiekanonnen van Nederland? Wat zegt het als iemand veel publicaties op z’n naam heeft staan? En hoe zit het met het aanzien van deze veelpubliceerders in hun vakgebied? Al deze dingen heeft Noijons onlangs gemeten.

Aan een grote houten tafel slaat hij zijn laptop open. Op het scherm verschijnt een database die hij heeft gemaakt met gegevens van 6.500 hoogleraren in Nederland, voor de periode 2001-2010.

Zijn dat alle hoogleraren in Nederland?

„Nee, er zijn er zo’n 8.000. Van een deel zijn geen publicaties te vinden in het Web of Science, de grootste database ter wereld van de wetenschappelijke literatuur. Hij is van Thomson Reuters en bevat inmiddels 30 miljoen artikelen. Maar je vindt er geen boeken in, geen congresverslagen. Je moet er in je analyses rekening mee houden dat het Web of Science niet compleet is. Elsevier bouwt ook aan een database, Scopus. Maar die heeft nog niet kwaliteit van het Web.”

Hoe vind je in die reusachtige datazee de artikelen van een en dezelfde persoon? Stel iemand heet Jansen of Smith.

„Daarvoor hebben we de laatste jaren software ontwikkeld. Die kijkt met welke co-auteurs iemand vaak publiceert, naar woorden of onderwerpen die in iemands oeuvre vaak terugkomen, aan wiens werk iemand refereert. Zo kun je met een zekerheid van zo’n 98 procent alle artikelen van één persoon uit het Web of Science vissen.”

Maar dan ben je er nog niet, zegt Noijons. Want, zoals gezegd, het Web of Science is niet compleet. Daarom is ook software ontwikkeld die helpt berekenen welk deel van iemands oeuvre bínnen het Web of Science te vinden is. Op basis daarvan kun je berekenen hoeveel artikelen iemand verder nog op z’n naam heeft staan. Zo kom je tot een totaal. Op basis daarvan kun je een lijst samenstellen van de hoogleraren met de meeste artikelen.

Hond Saar schiet plotseling overeind en begint te blaffen. Ze houdt niet meer op. Noijons pakt de plantenspuit die op tafel staat en spuit de hond nat. „Kom op Saar, rustig!” Even later ligt Saar weer op haar kussen en kan Noijons verder.

Hij rangschikt de hoogleraren op aantal publicaties. De top-50 blijkt bijna helemaal uit medici te bestaan. Bovenaan staat cardioloog Jeroen Bax, van het Leids Universitair Medisch Centrum, met 791 artikelen. Ook op de plaatsen 3 en 8 staan cardiologen. Econoom Nijkamp staat op plaats 47.

Hoe kan dat, zoveel medici in de top?

„Daar hebben we geen onderzoek naar gedaan. Het kan zijn dat medici meer aan salami-slicing doen, het opknippen van resultaten in zoveel mogelijk artikelen. In de medische wetenschap is het ook een trend om in steeds grotere groepen te publiceren. Binnen een vakgebied als de cardiologie zijn de studies steeds omvangrijker geworden. Als een wetenschapper voor zo’n studie een groep patiënten aanlevert, kan het zijn dat hij als auteur wordt genoemd.”

Zonder dat zo iemand verder iets heeft bijgedragen aan een onderzoek?

„Zou kunnen. Ook daar hebben we geen duidelijk beeld van. We doen er sinds kort wel onderzoek naar.

„Overigens zie je in een vakgebied als de deeltjesfysica dat er ook in heel grote groepen wordt gepubliceerd. Als iets uit Cern komt, van de deeltjesversneller, wordt iedereen genoemd. Soms wel meer dan duizend auteurs. Dat tikt lekker aan. Wiskundigen daarentegen publiceren vaak alleen, of met een enkele co-auteur. Dus het geeft een vertekend beeld als je alleen kijkt naar het aantal artikelen waarbij iemands naam vermeld staat.”

Kun je daarvoor corrigeren?

„Zeker. Je deelt het totaal aantal artikelen van iemand door het gemiddeld aantal auteurs waarmee wordt gepubliceerd. Bij iemand als cardioloog Jeroen Bax kom je dan uit op 99. Daarmee zakt hij naar plaats 2. Op 1 staat chemicus Rajamani Krishna van de Universiteit van Amsterdam. Die heeft in totaal 291 publicaties, en als je corrigeert voor het aantal auteurs komt hij op 103.”

En zegt dit getal iets over de waarde van iemands werk?

„Nee. Om daar een beeld van te krijgen bepaal je hoe vaak iemands werk wordt aangehaald in de literatuur. Je krijgt dan een impact score. Dat geeft wéér een heel andere lijst. Iemand als Jeroen Bax zakt dan naar plaats 14. Boven hem staan onder meer 5 andere cardiologen en 2 chemici. Maar daar zit Krishna dan weer niet bij. Die komt op plaats 23.

„Ook hier weer een kanttekening. In de huidige analyses profiteren alle auteurs van een artikel even veel van een citatie. Ook al zijn ze met z’n honderd. Terwijl de eerste en laatste auteur meestal het meeste werk hebben verricht. Een auteur die weinig bijdraagt kan zo onterecht aan een hoge impact score komen.”

Nog koffie, vraagt Noijons. Op bruine sloffen schuifelt hij naar de keuken. In een moeilijke houding. Hij vertelt dat hij net voor Kerst een tweede heupoperatie heeft gehad. „Ik heb van jongs af aan al heupdysplasie, maar dat hebben ze pas op m’n dertigste ontdekt. Tot die tijd heb ik gehockeyd. Daarna ging het steeds moeizamer. Maar nu, met twee nieuwe heupen, voel ik me als herboren”, zegt Noijons, terwijl hij weer voor zijn laptop gaat zitten.

Hoeveel hoogleraren economie zijn er in Nederland?

„In mijn database kom ik op 250.”

Waar staat Peter Nijkamp qua aantal publicaties?

„Met afstand bovenaan.”

En qua impact?

„Op plaats 119.”

Is daar iets uit af te leiden?

„Dat hij veel publiceert, maar dat zijn werk binnen zijn vakgebied maar middelmatig wordt aangehaald. Wat bij hem opvalt is dat een relatief klein deel van zijn publicaties uit de Web of Science komt, 42 procent. Hij publiceert veel wat niet in die database terechtkomt. Wat voor publicaties dat zijn weet ik niet.”

Zijn er andere hoogleraren die veel publiceren maar een middelmatige impact hebben?

„In de klinische psychologie tel ik 38 hoogleraren. Van die groep heeft Peter Muris van de Erasmus Universiteit in Rotterdam de meeste publicaties, 171, maar qua impact komt hij op de 27ste plek.”

Morgen meer over de zaak-Nijkamp in de bijlage Wetenschap