Kijkdozen vol gefnuikte ambities

Nora, de hoofdpersoon in Claire Messuds nieuwe roman De vrouw van hierboven, vindt zichzelf behoorlijk speciaal. Ze is dan ook een goede onderwijzeres en een goede dochter die haar weduwnaar-vader mee uit eten neemt. Ze kampt ook met gefnuikte artistieke ambities. Nora maakt in haar vrije tijd kijkdozen met interieurs van de huizen van haar helden – als Virginia Woolf, Emily Dickinson en Andy Warhol. Poppenhuizen, voor wie de verwijzing naar de andere Nora uit Ibsens toneelstuk gemist had.

Haar leven verandert ingrijpend als het gezin Shahid in haar leven verschijnt. Eerst valt ze als een blok voor de beeldschone Reza, een jongetje dat bij haar in de klas komt. Maar die gevoelens worden overtroffen wanneer ze zijn ouders ontmoet: de kunstenares Sirena en Skandar, gastdocent aan Harvard van Libanese afkomst. Dit echtpaar vertegenwoordigt alles wat Nora ambieert: een fraai uiterlijk, een internationaal leven en artistiek succes. Sirena maakt ‘installaties’ waarvan er een, gebaseerd op Alice in Wonderland, haar doorbraak wordt.

Dit kunstwerk speelt een belangrijke rol , maar Messud zadelt de lezer op met het probleem dat het moeilijk te omschrijven is. In ieder geval is er iets met bloemen van zeep en aspirine, ‘regenbuien van versplinterde spiegelscherven die aan vrijwel onzichtbare draden aan het plafond komen te hangen’ en ergens moeten ook nog video-opnamen gemaakt worden die weer deel van het kunstwerk worden, etc.

Nora laat zich door het gezin naar binnen zuigen: ze wordt Reza’s oppas, deelt een atelier delen met Sirena, wordt verliefd op Skandar en zijn tragische achtergrond. Haar liefde neemt zulke vormen aan dat ze zich met Sirena als kunstenaarsideaal vereenzelvigt, ‘alsof ik haar had verzonnen en met mijn verbeelding tevoorschijn had getoverd... Als ik naar haar keek zag ik mezelf, zag ik wat plotseling ook voor mij mogelijk leek, omdat het voor haar mogelijk was.’ Haar waanvoorstellingen bereiken een bijna extatisch hoogtepunt wanneer ze bedenkt dat haar status in de wereld geheel van dit gezin afhankelijk is.

Messud speelt een gewaagd spel met de lezer door van Nora een zeurderig, en vooral dweperig wezen te maken. Haar perceptie loopt bijna het hele boek achter bij dat van de lezer, die beseft wat Nora niet mag weten: dat haar fascinatie en uiteindelijke liefde voor de Shahids eenrichtingsverkeer is, dat haar tenslotte op een verraad in artistiek, maar vooral persoonlijk opzicht komt te staan.

Ondanks de bezweringen van Sirena dat ze niet zonder haar ‘vriendin’ zou kunnen, ondanks de galante complimenten van Skandar, ondanks de onweerstaanbare genegenheid van het jongetje Reza blijkt Nora slechts een passante te zijn.

De heftigheid waarmee Nora dat ervaart gaat gelijk op met de heftigheid van haar waan, maar is ook zo beknopt weergegeven dat daarmee de centrale zwakte van het boek wordt geïllustreerd: we kunnen haar daarin al evenmin volgen als in haar wanen van verliefdheid. Nora’s woede blijkt veel méér te omvatten dan de lezer kon vermoeden.

In dat opzicht doet Claire Messud zichzelf met dit boek tekort. Ze schrijft mooi gedoseerd proza dat Nora’s geëxalteerdheid knap in termen van redelijkheid weet te verhullen, waardoor er een portret wordt geschapen dat hier en daar intrigeert. Maar toch lijkt alles tussen de woede-uitbarstingen aan begin en eind weinig meer dan moeizaam aan elkaar gelijmd. Misschien, als Messud het boek niet in de eerste persoon enkelvoud had geschreven maar met de mogelijkheid van reflectie die een derde persoonsvorm biedt, was De vrouw van hierboven overtuigender geweest.