Jij, jongen, jíj kunt wel bij nul beginnen

Een kleine ramp vormt het begin van de roman Overal en altijd weer van de Braziliaanse schrijver Michel Laub. Op een joodse middelbare school wordt een jarige gejonast, zoals gebruikelijk bij een bar mitswa. Dertien keer wordt hij omhoog gegooid, maar de laatste keer wordt het kind niet opgevangen. Hij komt ongelukkig ten val, raakt bijna invalide. Het is de culminatie van maanden van pesterijen waarin hem steevast zijn twaalfuurtje wordt afgepakt en hij in de zandbak vernederd wordt: ‘Zand eten, zand eten, vuile kutgoj’.

Een lieflijke roman over het jodendom wil Overal en altijd weer niet zijn: dat maakt Laub met zijn onthutsende begin in ieder geval duidelijk. De zachtmoedige outcast is hier de goj, zijn kwelgeesten de joodse meerderheid die hem zijn ‘vreemdheid’ inpeperen. Alleen de naamloze vertellersfiguur die op latere leeftijd op deze gebeurtenis terugziet en met Laub de leeftijd, loopbaan en joodse afkomst gemeen heeft, realiseert zich de wrede ironie daarvan.

In welke mate Overal en altijd weer een autobiografische roman is, doet weinig ter zake. De veertigjarige Laub, die eerder al vier romans en een verhalenbundel publiceerde, peilt erin op indrukwekkende wijze de dilemma’s van de derde generatie holocaustoverlevenden. Dat hij in Brazilië tot de belangrijkste jongere schrijvers gerekend wordt lijkt op grond van dit boek dan ook volkomen terecht.

Gemakkelijk maakt Laub het zichzelf en zijn lezers niet. Zijn ik-figuur is niet overdreven sympathiek, net zo min als diens vader en grootvader. De laatste vestigde zich na zijn bevrijding uit Auschwitz in Brazilië, zijn zoon werkte er zich op tot redelijke welstand. En díens zoon wil alleen maar dat er een einde komt aan de doem die het vernietigingskamp over de opeenvolgende generaties blijft werpen. ‘Ik keek [mijn vader] aan en het lukte me om het nog eens te zeggen, ditmaal langzaam, terwijl ik hem recht in de ogen keek, dat hij Auschwitz en de nazi’s en opa voor mijn part in zijn reet kon stoppen.’

Dat dat niet zo makkelijk gaat, ontdekt hij direct daarop. Zijn vader laat hem de dagboeken zien die zijn grootvader na zijn aankomst in Brazilië heeft volgeschreven, zonder één verwijzing naar Auschwitz. Baten mocht die zwijgzaamheid niet. Grootvader pleegde zelfmoord toen zíjn zoon dertien was. Die is sindsdien niet opgehouden te praten over ‘de Joden die waren gestorven bij de Olympische Spelen van 1972, de Joden die waren gestorven bij de aanslagen van de PLO’, etc. etc.

Zo kruipt Auschwitz ook de kleinzoon tenslotte onder de huid en laat Laub zien hoe die herinnering meer dan een halve eeuw later nog mensen verwoesten kan. Hoe draag je dat verleden mee zonder gedemoraliseerd te raken door haat, wanhoop of zelfbeklag? Ook de ‘ik’ uit de derde generatie raakt uiteindelijk uit het lood, verslijt het ene huwelijk na het andere en verliest zich in drankmisbruik. Overal en altijd weer is geen zachtzinnig boek.

Maar bij uitzichtloosheid wil Laub het niet laten. De ontdekking dat zijn vader aan alzheimer lijdt komt voor de ik-figuur als een subtiele katharsis. De dreiging van vergetelheid brengt vader en zoon nader en schept eindelijk ruimte voor de tederheid die altijd door ‘Auschwitz’ overschaduwd was. Het ‘menselijk tekort’ dat in de grote geschiedenis èn in de meest intieme relaties zoveel onheil sticht wordt er niet door weggenomen, maar wel aanvaard. En voor wie in romans graag symbolen ontwaart: de wurgende herinnering raakt door de alzheimer wel vervaagd, maar wordt niet vergeten. Net als grootvader zet ook vader ten slotte zijn verleden op papier.

Overal en altijd weer is een roman die erom vraagt zorgvuldig gelezen en vooral herlezen te worden. Pas dan wordt duidelijk hoe voorzichtig Laub dit even moedige als onthutsende boek geschreven heeft. En hoe het verlossende einde ervan geen goedkope afronding is, maar blijft aandringen en ontroeren. ‘Een kind krijgen is het menselijk tekort overal en altijd weer achter je laten,’ laat Laub zijn ik-figuur schrijven. En dan, zich rechtstreeks richtend tot dat nog ongeboren kind: ‘Jij zult vanaf nul beginnen, zonder de last hiervan of van iets anders wat je niet zelf ontdekt te hoeven dragen... veertig jaar, nog alles voor me, vanaf de dag waarop jij geboren wordt.’