Het leed van foute Nederlanders

Arrestatie van colla-borateurs in Peer, 1944 Foto uit besproken boek

Vanuit haar Londense ballingschap ageerde koningin Wilhelmina in haar radioredevoering van 10 mei 1941 fel tegen ‘de handvol verraders, waarvoor in een bevrijd Nederland geen plaats meer zal zijn’. De vorstin verwoordde de haat die veel Nederlanders koesterden. Na de bevrijding dreigde ‘bijltjesdag’. De epidemische paniek onder foute Nederlanders op Dolle Dinsdag was niet zonder reden.

Om collaborateurs juridisch te vervolgen en bloedige wraakacties te voorkomen voerde de regering een speciaal strafrecht in. Jurist A.D. Belinfante en historicus P. Romijn stelden in klassiek geworden naslagwerken dat de toepassing hiervan succesvol was geweest. De straffen waren over het algemeen betrekkelijk mild.

Niettemin is het beeld hardnekkig dat de bijzondere rechtspleging een juridisch monstrum was, waarbij lichte gevallen verhoudingsgewijs vaak zwaar zijn gestraft. De geïnterneerde verdachten zouden bovendien op grote schaal vernederd, geïntimideerd en mishandeld zijn.

Slachtoffer

Journalist Koos Groen verkondigt in zijn zwartboek Fout en niet goed (2009) dat tienduizenden Nederlanders alléén wegens hun politieke overtuiging hiervan slachtoffer waren. Chris van der Heijden, auteur van de controversiële bezettingsgeschiedenis Grijs verleden, veroordeelt in zijn Zwarte canon. Schaduwzijden van de geschiedenis (2013) de ‘schending van mensenrechten’ van de geïnterneerden.

Hebben gerenommeerde wetenschappers bij het beschrijven van een inktzwarte bladzijde van onze geschiedenis royaal de witkwast gehanteerd?

Recent onderzoek biedt uitsluitsel. In het kader van het onderzoeksproject Erfenissen van de collaboratie (geïnitieerd door het NIOD) verschenen twee studies over de omgang met collaborateurs na de oorlog. Historica Helen Grevers maakt in haar proefschrift Van landverraders tot goede vaderlanders een verhelderende vergelijking tussen de vervolging, detentie, heropvoeding en resocialisatie van collaborateurs in Nederland en België in de periode 1944-1950.

Bij onze zuiderburen spanden radicale Vlaams-nationalisten wederom met de Duitse bezetter samen. Het Belgische verzet liquideerde in totaal 850 collaborateurs. Nederland telde ‘slechts’ 103 omgebrachte NSB’ers en landwachters. Terwijl in ons land de positie van de koningin en regering onomstreden waren, veroorzaakte de ‘koningskwestie’ in België nationale tweestrijd. Leopold II, die had geweigerd het land te verlaten, en de regering in ballingschap stonden tegenover elkaar.

Na de bevrijding in september 1944 bedreigden ook de communistische en de rechts-royalistische verzetsbewegingen de stabiliteit. De weinig populaire regering wilde daarom zo spoedig mogelijk het geweldsmonopolie van de staat herstellen. Door de hernieuwde collaboratie van Vlaamse extremisten en hun snelle berechting was het aantal terechtstellingen in België (242) hoger dan in Nederland (60).

Hoewel de mate van collaboratie in beide landen gelijk was geweest, werden hier meer dan twee keer zoveel verdachten opgesloten dan in België. Het betrof geen ‘handvol’ maar 150.000 personen. Groen wijt dit aantal uitsluitend aan de compensatiedrang voor ‘het eigen falen’ van de meeste burgers tijdens de bezetting. De comparatieve studie van Grevers maakt duidelijk dat een dergelijke moraliserende en monocausale zienswijze ontoereikend is. Aannemelijkere verklaringen vormen de ontberingen en escalerende nationaal-socialistische terreur tijdens de hongerwinter en laatste oorlogsmaanden. Bovendien waren de normen voor naoorlogse zuivering hier strenger geformuleerd.

Louter naar juridische maatstaven gemeten is op de grootschalige arrestaties en interneringen door de Binnenlandse Strijdkrachten veel aan te merken. Anderzijds zijn hiermee waarschijnlijk massale liquidaties, zoals in Frankrijk, voorkomen. Grevers brengt de soms tot mythische proporties opgeblazen gruwelverhalen tot hun werkelijke verhoudingen terug. Van een systematische en van bovenaf gesanctioneerde terreur was geen sprake.

Vanwege barmhartigheid en om praktische redenen, zoals overbevolking van interneringskampen en gevangenissen, werd de overgrote meerderheid van collaborateurs in beide landen op korte termijn in vrijheid gesteld. Politieke ‘heropvoeding’ moest voorkomen dat een klasse van sociale paria’s ontstond die opnieuw ontvankelijk was voor een totalitaire ideologie. Vaak konden ‘kleine’ collaborateurs op clementie rekenen mits zij hun fouten erkenden. Voor velen was de verlangde schuldbelijdenis destijds vermoedelijk lippendienst. Niet zelden waren zij verbitterd over hun behandeling. Hoe verging het hen later?

Onzichtbaar blijven

Over voormalige politieke delinquenten in de jaren vijftig en zestig gaat de studie van Ismee Tames. Is haar boek werkelijk ‘een nederlaag voor de geschiedschrijving’, zoals Chris van der Heijden in zijn recensie in De Groene Amsterdammer (feitelijk een frontale aanval op het NIOD) beweert?

Integendeel. Op basis van uitvoerig onderzoek beschrijft Tames het dagelijkse leven van ex-collaborateurs, de discussies in de politiek over deze heterogene groep, de wijze waarop overheidsinstanties hen behandelden en de manier waarop zij in de media werden opgevoerd. De meeste persaandacht trok een obscure minderheid van onverbeterlijke nationaal-socialisten en hun zieltogende organisaties. De overgrote meerderheid van ex-collaborateurs bleef liever onzichtbaar. Zij hadden er geen behoefte aan hun beladen verleden op te rakelen. Zeker niet toen vanaf de jaren zestig de Holocaust een centrale rol ging spelen in de beoordeling van het nationaal-socialisme.

De studies van Grevers en Tames zijn een aanwinst voor de geschiedschrijving. Zij bieden de noodzakelijke context bij de niet aflatende stroom van gepubliceerde getuigenissen van NSB’ers en hun kinderen over de misstanden tijdens de internering en hun moeilijkheden daarna. Dit leed wordt niet gebagatelliseerd, maar wel in een breder historisch en maatschappelijk perspectief geplaatst. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de naoorlogse behandeling van foute Nederlanders aanzienlijk complexer was dan Groen en Van der Heijden hun lezers willen doen geloven.