Gevangen in een helse fabriek

Werknemers in de Babylon-kledingfabriek in Dhaka. Volgens antropoloog Hasan Ashraf kunnen in de Bengaalse kledingindustrie veel werknemers de stress alleen aan met pillen. Foto Reuters

Een hoogopgeleide man die zich aanmeldt voor een baantje in de helse hitte van een kledingfabriek, tegen een hongerloontje? De eigenaar van een fabriek in de Bengaalse hoofdstad Dhaka kon zijn oren niet geloven. Na enig aarzelen nam hij Hasan Ashraf (36) toch aan, op voorwaarde dat hij in publicaties de naam van het bedrijf niet zou noemen.

Het bood antropoloog Ashraf, die werkt aan een proefschrift over stress onder de arbeiders van kledingfabrieken, de kans veertien maanden aan den lijve te ervaren hoe het toegaat in de kledingindustrie.

Die staat bloot aan veel kritiek na de instorting in april vorig jaar van het fabriekcomplex Rana Plaza, waarbij ruim 1.100 mensen werden gedood. Mede dankzij druk uit het Westen, waar de belangrijkste afnemers zitten, is het extreem lage minimumloon van de werknemers verhoogd. Eind 2013 werden voor het eerst de eigenaren van een fabriek vervolgd, nadat in 2012 een brand had gewoed die aan 112 mensen het leven kostte.

Permanente angst

Maar de werkomstandigheden in de meeste fabrieken zijn heel slecht. Hasan Ashraf: „Ik weet nog de dag dat ik mijn eerste maandloon ontving, na eindeloze dagen van tien tot veertien uur: welgeteld 27 euro, en dan nog twaalf euro extra voor alle overuren die we moesten maken om ladingen kleding op tijd te kunnen verschepen.“

Hij kwam erachter dat de werknemers vrijwel permanent onder enorme druk staan. „Je krijgt altijd meer te maken kledingstukken voorgeschreven dan je kunt halen. Als je er net zeventig haalt, krijg je te horen: maak er negentig. „We snakten altijd naar de lunchpauze.” Voor de jonge vrouwen – driekwart van de werknemers – was er bovendien de permanente angst voor seksistische opmerkingen van de managers. „Een van hen sprak de vrouwen dikwijs aan als ‘hoer’ of riep dingen als: ‘ik neuk je moeder’ ”. In de Bengaalse samenleving ligt de eer van de vrouw nog veel gevoeliger dan in het Westen.

‘Opgesloten als gevangenen’

Volgens Ashraf heerst „een cultuur van straffeloosheid en wantrouwen”. „Vrijwel geen enkele eigenaar of manager wordt ooit vervolgd voor wat hij doet. De werknemers worstelen om hun waardigheid te bewaren. Ze voelen zich opgesloten als gevangenen. Altijd worden ze gefouilleerd als ze het gebouw verlaten, om te zien of ze kledingstukken hebben gestolen. De toegangspoort wordt streng bewaakt door veiligheidsdiensten.”

En dan is er het eeuwige stof uit de fabriek. „Je armen, gezicht, haar, alles is ermee bedekt”, zegt Ashraf. „Je krijgt er enorme hoofdpijn en geïrriteerde ogen van. Je moet niezen en krijgt huidaandoeningen.” Stiekem eten de arbeiders olijven of tamarindevruchten om de keel wat te smeren, vertelt hij. Het is niet toegestaan omdat er vlekken op de kledingstukken zouden kunnen ontstaan. Water drinken mag wel, maar dat is zo vies dat je er makkelijk diarree van krijgt.

Ashraf ontdekte ook dat veel werknemers niet meer zonder pillen kunnen om te ontspannen. Vooral Bromazepam van de Zwitserse fabrikant Roche vindt gretig aftrek, ook omdat het zonder recept van een arts te krijgen is. Veel arbeiders kunnen niet meer zonder zulke middelen.

De antropoloog zag van nabij hoe moeilijk het is voor de werknemers die zich actief inzetten voor een verbetering van hun lot. Toen in de fabriek waar Ashraf werkte collega’s probeerden de werknemers te organiseren, deed een speciale eenheid van de politie een inval. „Dat was angstaanjagend”, zegt hij. „Iedereen rende weg en werd achtervolgd. Er vielen ook schoten. Hun protest werd keihard onderdrukt. In drie etappes werden vervolgens 200 man op straat gezet en sommigen werden ook juridisch vervolgd.”

Geld verdampt

Het minimumloon bedroeg tot 1 december 2013 slechts zo’n 28,50 euro, al verdienden de meesten in de praktijk iets meer. Vorige maand werd dit eindelijk na lang soebatten verhoogd tot 50,30 euro. Maar Ashraf wijst erop dat zelfs dat nauwelijks genoeg is voor een enigszins aanvaardbare levensstandaard.

„De gevolgen van zo’n loonsverhoging zijn beperkt. Ik merkte dat de huren voor de kamers waarin de werknemers verblijven, dan steil omhoog gingen. Daardoor verdampte een deel van hun extra geld meteen.”

Toch verdringen duizenden mensen zich nog altijd voor de baantjes in de kledingfabrieken. „Het is waar”, zegt Ashraf. „Ze verdienen meer dan thuis in de dorpen en ze kunnen hun familie een beetje geld toesturen. Sommige meisjes vinden het ook veel opwindender in een grote stad dan in een dorp.” Maar daar staat tegenover dat meisjes door hun vertrek uit de dorpen ook de bescherming van hun familie verliezen. „Sommigen kunnen niet meer terug, omdat er in het dorp wordt aangenomen dat ze een losbandig leven voeren.”