Geen emplooi

Onlangs zag ik Jeroen van Merwijk optreden in de kleine zaal van de Stadsschouwburg van Utrecht. Het was een merkwaardige avond. Met zelfspot had Van Merwijk zijn programma de titel Er zijn nog kaarten gegeven. Maar voor die avond en ook de volgende waren ze allemaal verkocht. Van Merwijk was opeens een succes geworden. Helaas met een programma dat zijn laatste zal worden – omdat hij geen succes had.

Zijn lot doet in de verte denken aan dat van de singer-songwriter in de film Inside Llewyn Davis van de Coen Brothers. Davis doet wanhopig zijn best om iets in de muziekwereld te bereiken, hij zwerft van het ene slecht bezochte theatertje naar het andere. Eindelijk mag hij op auditie bij een invloedrijke impresario, hij zingt zijn hart uit zijn lijf. De man laat een korte pauze vallen en zegt dan alleen: „I don’t see money here.” Het personage Davis was losjes gemodelleerd naar de folkzanger Dave Van Ronk. Pas dankzij deze film is Van Ronk bekender geworden, maar hij heeft er weinig meer aan, tenzij er in de hemel een paradijselijk plekje is gereserveerd voor onderschatte artiesten.

Door zijn collega’s is Van Merwijk overigens nooit onderschat; hij staat bekend als een van de beste liedjesschrijvers van zijn tijd. Ook in zijn laatste programma maakt hij deze reputatie volledig waar, het bevat een aantal schitterende liedjes met als hoogtepunt Niets is voor altijd, dat thuishoort in elke bloemlezing van de beste Nederlandse poëzie.

Ik citeer de laatste twee strofen:

Ooit droogt de zee, ooit zal de zon zelfs doven/ Ooit komt er een einde aan de tijd/ Dan zal er zelfs geen God meer zijn om in te hoeven geloven/ Dan is het leven van het leven zelf bevrijd

Toch is er iets dat altijd rond zal blijven zingen/ Een verre ijle toon van weemoed en van spijt/ Om alle mensen en de dwaze wegen die ze gingen

Hoe kan het dat er voor een begaafd artiest als Van Merwijk geen emplooi meer is? Ik heb me die vraag af en toe gesteld terwijl ik naar hem zat te kijken. In de Volkskrant zei hij erover: „Leiden, Zwolle, Eindhoven; in al die steden heb ik vijfentwintig jaar gestaan, maar nieuwe managers, die nooit van Jeroen van Merwijk hebben gehoord, kijken naar het aantal bezoekers van de vorige keer en vegen jou zo van tafel.”

Ook die managers zeggen: „I don’t see money here.” Maar hebben ze in dit geval helemaal ongelijk? Ook Van Merwijk relativeert zelf het huidige succes: „Die mooie kritieken leveren misschien een soort ramptoerisme op: mensen willen me nog één keertje zien.”

De vraag is dus vooral: waarom begon het publiek de laatste jaren steeds meer weg te blijven? Ik vermoed dat het met de traditionele vorm van zijn cabaret te maken heeft: de conference staat in dienst van de liedjes, en niet andersom, zoals tegenwoordig bij de meeste cabaretiers. Van Merwijk is in de eerste plaats een zanger, chansonnier, singer-songwriter, hoe je het ook wilt noemen. Dan voelt hij zich als een vis in het water; bij de conference, hoe geestig ook, wordt zijn optreden stroever, hij gaat sneller, te snel soms, praten – je voelt enige spanning.

Maar Maarten van Roozendaal dan? Toch ook een zanger? Die had wél een vast publiek. Maar Van Roozendaal was uitbundiger, extraverter, Van Merwijk moet het van subtiliteit hebben. Zou dat het zijn? Of heeft het meer met het ongrijpbare begrip charisma te maken? Als succes verklaarbaar was, hadden we het allemaal.