Fransen kunnen óók verhalen vertellen

De waarheid over de zaak Harry Quebert is een enorm succes: er zijn al meer dan een miljoen Franse exemplaren verkocht // De Nederlandse vertaling is nu uit // Maar noem het géén thriller

Joël Dicker: „Toen ik het boek af had, dacht ik nog dat het veel te dik en veel te Amerikaans was.” foto Jérémy Spierer

Zijn naam – Joël Dicker – oogt Amerikaans, maar de uitspraak ervan is zo Frans als het maar zijn kan: je zegt zjo-el diekèr. En de 29-jarige Zwitser spreekt weliswaar Engels met een zwaar accent, maar zijn zinnen zijn vloeiend en doorspekt met Amerikaanse uitdrukkingen: ‘he was like’ in plaats van: ‘hij zegt’.

Dickers boek De waarheid over de zaak Harry Quebert speelt nota bene in de Verenigde Staten: het gaat over de New Yorkse schrijver Marcus Goldman, die na een zeer succesvol debuut nu kampt met een writer’s block. Inspiratie vindt hij in de moord op een tiener, dertig jaar eerder, in het slaperige dorpje Aurora, New Hampshire. Die zaak wordt heropend als de begraven resten van de 15-jarige Nola Kellergan worden teruggevonden in de tuin van Marcus’ schrijfmentor Harry Quebert. Overtuigd van zijn onschuld ontpopt Marcus zich als speurder-verslaggever, in een verhaal met een journalistieke aanpak als van Truman Capote, een moordraadsel à la Donna Tartt en een liefdesschandaal dat Nabokovs Lolita in herinnering roept.

De waarheid over de zaak Harry Quebert is een buitengewoon succes: er zijn al meer dan een miljoen Franse exemplaren verkocht, het won de deftige literatuurprijs van de Académie Française en ook de Prix Goncourt des Lycéens – de ‘jonge’ variant van de grootste Franse literatuurprijs. Dicker reist daarom al een jaar over de wereld om zijn roman te promoten – het bezoek aan Nederland, waar de vertaling nu uit is, moest hij wegens ziekte afzeggen, maar skypen vanuit Genève kon hij wel.

Iedereen noemt Harry Quebert een Amerikaanse roman. Was dat je bedoeling?

„Nee. Ik wilde eens iets anders en dit voelde simpelweg als het beste idee. Hiervoor heb ik vijf andere romans geschreven, vier zijn er afgewezen en één is uitgegeven, maar werd totaal geen succes. Ik nam me voor dat dit mijn laatste poging was – anders moest ik maar een andere baan gaan zoeken. Dus gooide ik het over een andere boeg.”

En toen werd het een detective.

„Voor mij is het geen detective, hoor. Ik snap dat je het zo noemt en ik schaam me er ook niet voor, maar ik voel me eigenlijk geen thrillerschrijver. De reden is dat je volgens mij het misdaadverhaal uit de roman zou kunnen halen zonder dat de kern ervan verandert. Het wordt minder spannend, oké. Maar als Nola bijvoorbeeld door een auto-ongeluk om het leven was gekomen, zouden de verhoudingen toch hetzelfde blijven. Naar mijn idee is de misdaad een laag in het verhaal, niet de kern. En als je me vraagt wie mijn favoriete misdaadschrijvers zijn, sta ik met m’n mond vol tanden.”

Waarom koos je voor dit decor?

„Ik was in New Hampshire, in zo’n dorpje en bij zo’n huis als in het boek. De omgeving inspireerde me: daar zat een verhaal in. En na Genève is de Amerikaanse oostkust de plek die ik het beste ken. Omdat ik er familie heb, bracht ik er de schoolvakanties door, jaarlijks twee maanden. En omdat ik in de ik-persoon wilde schrijven leek het me goed om het ver buiten Genève te zoeken, anders zouden de mensen maar denken dat het autobiografisch was.”

Hebben de Amerikaanse cultuur en literatuur je ook beïnvloed? Je stijl heeft meer weg van Amerikaanse verhalenvertellers dan van hedendaagse Franse literatuur.

Met een zucht: „Ik wist dat ik me dit op de hals zou halen... Maar dat Amerikaanse decor bepaalde niet de manier van vertellen. De waarheid is: de Franse literatuur kent ook fantastische verhalenvertellers! We hebben De graaf van Montecristo van Alexandre Dumas, we hebben Guy de Maupassant, Émile Zola, Victor Hugo. Zulke verhalenvertellers hadden we veel eerder dan de Amerikanen. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg je in Frankrijk een golf van schrijvers die over eigen gevoelens schrijven, soms best saai. Een lekker verhaal vertellen werd verboden. Maar ik houd juist meer van een verhaal zoals je vertelt aan de eettafel: jongens, luister wat ik te vertellen heb. Boeken hebben ook entertainment nodig, zeker nu mensen liever tv-kijken of bezig zijn op hun iPhone.”

Daarin ben je wel bijna Amerikaans: je wilt mensen verleiden.

„Nou, als je dat zo wilt noemen... Maar ik wil ze verleiden met de kracht van literatuur, omdat ik lezen mooi vind. Niet omdat ik zo graag geld wil verdienen, zoals Marcus’ uitgever. Hij is een geldwolf die ook best een half-af boek op de markt wil brengen, met alle gevolgen van dien. Ik wilde ook schrijven over de huidige wereld van de boeken en over de donkere kanten van onze economie: dat CEO’s van grote bedrijven zó onder druk kunnen staan om geld te verdienen dat ze niet meer weten wat ze doen. Een uitgever is iets anders dan een autoverkoper. Er is geen recept voor boeken schrijven.”

Maar heb jij dat recept dan nu niet gevonden, na vijf boeken ploeteren?

„Was het maar zo eenvoudig – nee, toen ik het af had dacht ik nog dat het veel te dik en veel te Amerikaans was. En ik zie ook wat ik de volgende keer beter zou doen.”

Je laat Harry wel schrijfadviezen aan Marcus geven, die telkens aan het begin van de hoofdstukken staan.

„Zonder iets te verklappen: als je het boek uit hebt, weet je ook dat je die adviezen met een korrel zout moet nemen. En dan nog: wie ben ik om 31 schrijfadviezen te geven aan anderen? Het enige advies dat ik echt waardeer, is dat je moet durven vallen, zoals Harry het noemt. Je moet mislukken, weer mislukken en beter mislukken, zoals Samuel Beckett al zei. We zijn een maatschappij waarin mensen steeds minder durven, omdat ze bang zijn te falen. Mensen worden passief omdat ze niet durven te mislukken. Maar alleen van proberen word je beter. Dat heeft mij ook gebracht waar ik nu ben.”