Een stevige scheut cola bij de wijn doen

illustratie nanette hoogslag

De boekcover toont een schilderij van Edward Hopper: een verstild beeld van een lege Amerikaanse kruising, een Esso-benzinestation, een autoband in de rechteronderhoek, een paar verlaten uitziende huizen in pasteltint en een lelijke elektriciteitspaal precies in het midden. Portrait of New Orleans luidt de titel van het schilderij uit 1950. Het is een op en top Amerikaanse cover van een Franstalige roman. Sterker nog, niet alleen het uiterlijk van het boek is Amerikaans, inhoudelijk is het ook uitermate onfrans. Toch werd de roman bekroond door Frankrijks meest Franse, taalkundig meest puriteinse instelling, l’Académie française.

Wat is hier aan de hand? Hoe kan het dat Frankrijks conservatiefste orgaan, de waakhond van de Franse spelling die ieder anglicisme rigoureus uitbant, een roman bekroont die alom geldt als ‘Amerikaans’? Is Frankrijk niet juist het land dat alles van over de oceaan met wantrouwen bekijkt? In Frankrijk analyseren boeken als L’obsession anti-américaine (Jean-François Revel), Après l’empire (Emmanuel Todd) en L’ennemi américain (Philippe Roger) steeds opnieuw de Franse, traditioneel anti-Amerikaanse houding. Van oudsher ligt Frankrijk dwars als het gaat om de Amerikaanse culturele machtspositie. Ook in de huidige onderhandelingen tussen de EU en de VS in het kader van het vrijhandelsverdrag, heeft Frankrijk, in lijn met zijn traditionele politiek van de exception culturelle, een uitzondering bedongen voor haar audiovisuele industrie. De Franse film en de Franse muziek moeten beschermd worden, net zoals het land zijn Franse kazen koestert en zijn Franse wijn.

Dat Noord-Europa al decennia vol bewondering kijkt naar de Amerikaanse literatuur is geen nieuws. Nederland is, ook als het om literatuur gaat, een gretige volger van alles wat afkomstig is uit de Engelstalige culturele wereld. Maar tegenwoordig lijken de Fransen de kroon te spannen.

Op een literair festival in Lyon zei de Amerikaanse auteur Rick Moody een paar jaar geleden dat hij ‘doodmoe’ werd van die Fransen die Amerikaanse verhalenvertellers zo bewieroken. Hun eigen literatuur is uitstekend, zei hij, maar niemand die zich dat lijkt te realiseren. Onlangs begon de Amerikaan Richard Powers een beetje te zuchten toen François Busnel, presentator van het bekende Franse boekenprogramma La Grande Librairie, hem de vraag voorlegde hoe het kwam dat de Amerikaanse literatuur van nu zoveel beter is dan de Franse.

Millermania

Wie de etalages van Franse librairies bekijkt, ziet dat er niet langer voornamelijk kleurloze, strak vormgegeven boekomslagen van Franse schrijvers liggen, maar meer en meer covers van Amerikaanse auteurs. Literaire publiekstijdschriften als Lire en Le Magazine littéraire bombarderen in hun jaaroverzichten steeds vaker Amerikanen tot de besten. Louise Erdrich, Richard Ford, John Irving, Laura Kasischke en Richard Powers behoren tot recente toppers. Maar er was vorig jaar ook sprake van een ‘millermania’, dankzij de heruitgave van enkele romans van Henry Miller. Cinquante nuances de Grey werd, net als overal elders, ook in Frankrijk een bestseller en in het belangrijke Proustjaar – icoon van het Franse literaire erfgoed – wijdde de respectabele Revue des deux mondes een heel nummer aan: Proust vu .. d’Amérique.

Amerikaanse fastfoodketens zijn nog steeds omstreden in Frankrijk en in wezen durft geen rechtgeaarde Fransman zich in zo’n tent te vertonen. Maar wie tegenwoordig het literaire Café de Flore in Parijs bezoekt om er gezien te worden, doet dat bij voorkeur met een Amerikaanse roman voor zich op tafel. Inmiddels doet zich een trend voor die nog verder gaat: de Franse literatuur zelf veramerikaanst. Franstalige auteurs situeren hun boek in de VS, sturen hun personages naar de overkant van de Atlantische Oceaan, geven hen Amerikaanse namen en een dito setting. Ze eten niet alleen hamburgers, maar genieten er nog van ook. Ze drinken niet alleen Coca-Cola, maar mengen die schaamteloos door Franse wijn.

Het boek met die Hoppercover is getiteld De waarheid over de zaak Québert en van de hand van Joël Dicker. Het is een vuistdikke thriller, een psychologisch drama en een doe-het-zelf-boek voor de beginnende schrijver – de moord op Lolita als Cold Case. De beroemde Amerikaanse schrijver Harry Québert, woonachtig in Aurora, in New Hampshire, wordt ervan beschuldigd een vijftienjarig meisje te hebben vermoord, met wie hij een affaire had – 35 jaar geleden wel te verstaan. Bij de aanplant van een nieuw hortensiaperk in zijn tuin is het lijk van het meisje, dat destijds spoorloos verdween, opgedoken. Het is nationaal nieuws, het stadje staat op zijn kop, gelieerde oude affaires worden hot en de politie start een nieuw onderzoek. Terwijl de oude schrijver zich in zijn cel voorbereidt op de doodstraf, gaat zijn jongere collega en pupil, de verteller van het boek, zelf op zoek naar wat de toedracht van de moord geweest zou kunnen zijn. Zijn writer’s block is in één klap doorbroken en met het relaas over zijn mentors ondergang én wederopstanding stelt hij meteen zijn eigen financiële toekomst veilig.

Hommes de culture

Het is een ongekend spannend boek dat een prettig soort ongeduldige irritatie oproept vanwege de eindeloze zijpaden die de auteur je instuurt. Dicker dwingt je tot slow reading terwijl je nu juist flink gas wil geven. Hoogliterair is het allemaal niet, wel erg onderhoudend. De auteur, een negenentwintigjarige jurist uit Genève, brengt het hele Hopperschilderij tot leven, van het café waar Québert zijn eigen tafeltje had tot het politiebureau, de buren en de winkeliers. Iedereen heeft zo zijn afwijkingen, obsessies en geheimen die hij liever niet onthuld ziet worden.

Een van de personages in het boek is niet toevallig ene Roth, een buurman van de van moord beschuldigde schrijver. Philip Roth en Jonathan Franzen zijn zijn literaire voorbeelden, vertelde Dicker in interviews. Die invloed is aantoonbaar, schrijft Antoine Compagnon, Franse hoogleraar Moderne Franse literatuur, verbonden aan het Collège de France. Ook hij stelt vast dat Amerikaanse literatuur meer en meer de overhand krijgt in Frankrijk. Saul Bellow, Philip Roth en Don Delillo zijn voor hem schrijvers die het oude ideaal van de gecultiveerde, van literatuur doordrongen auteur belichamen. Die Amerikanen zijn ‘hommes de culture’, zegt hij in zijn boek Une question de discipline, het zijn mensen die creative writing doceren en hun métier doorgeven aan een nieuwe generatie. Als er sprake is van mondialisering van de literatuur, dan is die synoniem met amerikanisering. Het is niet anders. De Amerikaanse roman is hét model bij uitstek geworden. En waarom? Omdat zij een sociale en zelfs sociologische dimensie bevat die dankzij gedegen onderzoek tot stand is gekomen. De Amerikaanse roman bespreekt werkelijk hedendaagse problemen – en dat vindt Compagnon in de Franse literatuur te weinig terug. Al gaat het beter, zegt hij. De Franse roman kijkt de kunst af van de Amerikaanse: de autofictie, het obsessief opschrijven van de eigen zieleroerselen, gaat langzamerhand af door de zijdeur. De Franse literatuur keert zich weer naar de maatschappij, ze durft weer te onderzoeken en voor de grote greep te gaan.

In haar boek L’invention de nos vies neemt de Franse schrijfster Karine Tuil bijvoorbeeld het onderwerp van identiteitsfraude bij de kop. Haar van oorsprong Frans-Arabische advocaat die een plek heeft veroverd bij een machtig Amerikaans advocatenkantoor eigende zich het levensverhaal toe van zijn vroegere beste vriend, een Joodse intellectueel. Die heeft het lang niet zo ver gebracht als hijzelf, maar op amoureus gebied wel aan het langste eind getrokken. Hoe werken de mechanismen van discriminatie en racisme? Hoever ga je als je superambitieus bent, maar niet afkomstig uit de juiste klasse? Het is een formidabele, uitstekend geschreven roman die – juist op het moment waarop in Frankrijk door de affaire rondom cabaretier Dieudonné en zijn quenelle de discussie over antisemitisme weer oplaait – wezenlijke vragen stelt.

De Franse schrijfster Marie Darrieussecq, die voor haar roman Il faut beaucoup aimer les hommes de Prix Médicis kreeg, stuurt haar hoofdpersoon naar Hollywood – voor de Franse cultuurpolitiek niets minder dan het hol van de leeuw. Solange, wier morbide kindertijd we kennen uit Darrieussecqs eerdere werk, heeft het geschopt tot Franse filmster in de glamour en glitter van de Amerikaanse filmscene en gaat om met groten als Matt Damon en George Clooney. De frêle, blanke Française verliest haar hart aan een zwarte Afro-Amerikaanse megaster met rastakapsel die maar één obsessie heeft: Joseph Conrads Heart of Darkness verfilmen in Congo. Het is een roman over passie, over wat het betekent Europees te zijn, Amerikaans of Afrikaans, maar ook een boek over de onbereikbaarheid van de ander, zeker als die een andere huidskleur heeft.

Franse western

Maar Frankrijk heeft sinds kort ook zijn eigen westernauteur: de ongrijpbare, volstrekt originele en tegendraadse Céline Minard schreef een western à l’américaine. Zoals Nederland zich laaft aan Butcher’s crossing van John Williams, leest Frankrijk Faillir être flingué, een roman over de verovering van The Far West, over Eau-qui-court-sur-la-plaine, een Indiaanse die een aanval op haar stam overleefde, over Jeff en Brad, twee broers die in een oude boerenkar hun stervende moeder vervoeren naar de plek op de westelijke prairie waar ze een nieuw leven willen beginnen. Intussen is een zekere Bird Boisverd op zoek naar de man die hem zijn paard afhandig maakte. Gesloten stoere mannen, eindeloze kale vlakten, slapen onder de sterrenhemel, paarden en saloons – dat zijn de ingrediënten van deze roman. Maar boven alles gaat het om de toekomst, om bouwen aan een land, aan een stad die er alleen nog is in de hoofden van mensen die uit alle windrichtingen onderweg zijn. Hier wordt from scratch de basis gelegd voor iets groots: Yes we can.

Een dergelijke instelling is uitermate onfrans. De Fransen zijn berucht om hun pessimisme, aan de goedgedekte tafel met uitstekende produits de terroir viert doorgaans het doemdenken hoogtij. Onlangs vroeg The economist zich nog af hoe het komt dat de inwoners van het land van Dior, van de flaneur en van het goede leven depressiever zijn dan Oegandezen en Oezbeken. Inderdaad, ook de Franse literatuur kenmerkt zich bij tijd en wijle door négativisme en zelfs door déprimisme. Lees Houellebecq en je ziet een donkere wereld met lamlendige types in een museaal Frankrijk dat aan de horizon de apocalyps ziet opduiken. Van oudsher wentelt de Fransman zich in melancholie, in zelfkritiek – en hij vindt dat verreweg de beste levenshouding. ‘Yes we can’ is voor Amerikanen, optimism is for fools.

Nu Frankrijk op zijn eigen manier zoekende is naar een nieuwe plek in de wereld en worstelt met zijn identiteit, blazen de Franse letteren hun partijtje mee. Ze zijn volop in beweging, zetten de vensters open en kijken naar buiten. In de literatuur is er al een taboe geslecht: Amerika is cool.