Column

Een nogal wankelend gelijkheidsideaal

We zijn er allemaal in vermogen op achteruit gegaan, berichtte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week. In 2012 bedroeg het gezamenlijke vermogen van huishoudens (inclusief de nettowaarde van woningen) 1.166 miljard euro, en dat is minder dan de 1.910 miljard van 2011. En het is veel minder dan de 1.300 miljard die in 2008 op de teller stond.

De daling van de huizenprijzen is daar niet vreemd aan. Het goede nieuws voor de verdedigers van de egalitaire samenleving is dat ook de groepen met de hoogste inkomens er op achteruit gingen. De lasten lijken gelijk verdeeld. Maar interessanter is de verdeling van de rijkdom, en dan niet naar inkomen, maar naar vermogen. Kortom: hoeveel van het vermogen bezit de rijkste tien procent van Nederland?

Daar valt egalitair Nederland door de mand: wie de onderliggende cijfers van het CBS doorrekent, vindt dat de rijkste tien procent van Nederland maar liefst 61,2 procent van het vermogen bezit. Dat was in 2006 nog 57 procent.

En wat blijkt nog meer: alleen die rijkste tien procent heeft zijn deel van het totale vermogen zien toenemen. Alle andere groepen (dus van de armste tien procent, de op twee na armste, enzovoorts, tot en met de op een na rijkste tien procent) hebben hun deel van het vermogen zien afnemen.

Nu was het wel bekend dat de vermogensverdeling in Nederland veel schever is dan de inkomensverdeling. Dat is in vrijwel elke westerse samenleving zo. Maar in Nederland neemt de scheefheid dus toe. En gezien de kennelijke verdeling binnen die rijkste tien procent, gaat dat ook bij de allerrijksten door. Sinds 2006 is in deze groep het gemiddelde vermogen sterker gestegen dan de mediaan (de middelste waarneming). Dat kan er op wijzen dat de vermogensverdeling binnen de rijkste tien procent ook ongelijker geworden is. En gezien het feit dat aandelen het in 2013 veel beter deden dan woningen, kan de vermogensverdeling in Nederland ook vorig jaar nóg schever zijn uitgepakt.

Het zullen de ouderen zijn, is dan de voor de hand liggende conclusie. De babyboomers hebben weer goed voor zichzelf gezorgd. Die conclusie gaat niet helemaal op. Via twitter viel het oog op een nieuw onderzoek van drie wetenschappers van de Duitse Universiteit van Bamberg: Wealth inequality in Europe and the delusive egalitarianism of Scandinavian countries. Het werd gedaan onder inwoners van Europese landen van vijftig jaar of ouder. Het onderzoek rekent af, zoals de titel al veronderstelt, met de gelijkheidswaan in Scandinavië. Maar voor Nederland staan er verrassende cijfers in.

De inkomensverdeling onder ouderen in Nederland is volgens de onderzoekers van alle dertien onderzochte landen tamelijk scheef: een zogenoemde Gini-coëfficient van 0,42. Dat is zo’n beetje even ongelijk als de inkomensverdeling onder de totale Amerikaanse bevolking, die hier in de regel als oneerlijk wordt gezien.

Maar nog verrassender is de vermogensverdeling onder ouderen in Nederland. Die is, op Polen na, de meest ongelijke van Europa. De onderzoekers vinden dat, op basis van cijfers van halverwege het afgelopen decennium, de rijkste tien procent van de ouderen 54 procent van het vermogen bezit. Alleen Zwitserland heeft dat ook, terwijl enkel Polen schever is, met 62 procent. De rijkste vijf procent van de Nederlandse 50-plussers bezit 42 procent van het vermogen, alweer evenveel als Zwitserland, terwijl Polen op één staat.

De rijke oudere in Nederland bestaat, en hij of zij heeft het heel goed. Maar om daar de hele groep op aan te spreken gaat veel te ver. Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat de ongelijkheid juist het grootst is onder mensen op gevorderde leeftijd. Amerikaanse toestanden.