De uitzetter wil aardig gevonden worden

Toine Heijmans foto EPA / IAN LANGSDON

Toen Toine Heijmans dit jaar in Parijs een prestigieuze literaire prijs voor zijn romandebuut Op zee ontving, stuurde hij via Twitter een foto rond waarop vier fotografen hun zwarte tunnellenzen op hem richtten. Zijn bijschrift: ‘In Parijs. Heb de Prix Médicis étranger gewonnen.’ Natuurlijk bestaan Twitterberichten altijd uit weinig woorden, maar korte, puntige zinnen kenmerken ook Heijmans’ stijl – zijn beschrijvingen floreren in veelal schijnbare feitelijkheden, want wat wordt weggelaten is bedrieglijk veelzeggend. Zo beleeft Donald in Op zee een nogal stormachtige zeiltocht, maar staat er: ‘Alles is nog heel. De boot ziet er prachtig uit. Een opgeruimd dek. Trotse zeilen. De kajuit is laag; ik kan er net rechtop in staan.’ Mooi, hoe krampachtig ‘opgeruimd’ en ‘trots’ een wens verwoorden van de ietwat overspannen zeiler. De laatste zin, ‘ik kan er net rechtop in staan’, verraadt een ongebreideld optimisme, een onheilspellende overmoed.

Heijmans tweede roman Pristina is bijna twee keer zo dik; zijn zelfvertrouwen blijkt voornamelijk uit de wijze waarop hij uitzoomt en de wereld van een afstandje beziet. De verteller begint ver weg, alwetend (‘De man loopt’), en trekt langzaam naar binnen in de waarheidsloze werkelijkheid van zijn personages. De wereld is bovendien breder geworden dan het eenzame jachtje waar verteller Donald op vastzat in Op zee.

Pristina waaiert uit naar Egypte en Kosovo, maar begint dichtbij huis, op een eiland in de Noordzee, waar illegale vluchtelingen tot hun uitzetting in een verlaten pension aan het strand zijn ondergebracht. Tegen alle verwachtingen in herkennen de eilanders zich in de asielzoekers, ze zijn allemaal ‘achterblijvers. Knutselaars.’

Dat geldt niet voor Albert Drilling. Hij is een loyale ambtenaar met uitzetscore van honderd procent: al zijn ‘dossiers’ verdwijnen geruisloos naar het vermeende land van herkomst, zonder mediaophef of moeilijke vragen. Zijn ambitie is even rechtlijnig als zijn dwingende naam doet vermoeden, maar er krabbelt eveneens een andere, innemende kant naar buiten. Ook een man van stijve principes wil aardig worden gevonden.

Humaan beleid is wat Albert drijft, maar als hij iets treft wat daar niet mee strookt, is hij fantasierijk genoeg om zichzelf bruut vrij te pleiten. Waar Albert vasthoudt aan de regels die hem in het verleden leidraad boden, doet vluchtelinge Irin Past er alles aan haar geschiedenis grondig uit te wissen in de vergeefse hoop dat niemand, en vooral Albert niet, te weten komt dat ze illegaal op het eiland woont. Ze spreekt accentloos Nederlands en leert het hele Wilhelmus uit haar hoofd, want ze weet: het is een luxe te kunnen leven op een verleden waar je geen moeite voor hoeft te doen.

Albert ervaart pas hoe onbruikbaar komaf kan zijn, wanneer hij naar Egypte en Kosovo reist om de terugkeer van Irin voor te bereiden. Hij staat er ontkleed bij, in de chaos van een land waar de wetten hem niet eigen zijn. De wijsheid die achter een kantoorbureau in een regelgedreven Nederland is opgedaan, heeft weinig waarde in de grote wereld, waar hij naïef en vervreemd ronddoolt.

Thematisch schuurt Heijmans daarmee aan tegen Tom Lanoye’s Gelukkige slaven en De man zonder ziekte van Arnon Grunberg, waarin hoogmoedige westerlingen in het buitenland als Icarus-figuren ten val komen, hun vleugels smelten in de tropische zon. ‘De mens heeft de wereld kleiner gemaakt maar zichzelf niet groter’, denkt Irin. Ook al reist Drilling de hele wereld over, zijn kennis en zogenaamde ervaring komt uit dossiers: ‘Met echte vreemdelingen sprak hij nooit. Maar zo leerde hij hen kennen, zonder ze ooit ontmoet te hebben.’ Hier zie je die typische stijl van Heijmans terug: hij vertelt feitelijk, maar door ‘Met echte vreemdelingen sprak hij nooit’ en ‘zonder ze ooit ontmoet te hebben’ dubbelop naast elkaar te plaatsen, groeit de onheilspellende betekenis van deze zin.

Heijmans speelt met taal zoals namenvervalser Don, de vader van Irin, die dagenlang in alle ernst op klankrijm en ideale combinaties broedt (‘Sahib Shihab,’ ‘Kesh Monnee’) – er zit zowel ernst als plezier in verstopt. Beelden en gebeurtenissen worden op het opzichtige af herhaald, waardoor een licht absurde sfeer ontstaat.

Soms vormt die energieke bemoeienis een mankement en is de auteur wat nadrukkelijk aanwezig. Zo zijn de dialogen frappant scherp, alsof ieder personage een opgeroepen getuige is om één kant van het geschil te vertegenwoordigen. Pristina vaart op een uitgekiende structuur van precies geplaatste onthullingen en ontmoetingen – het zorgvuldig gewiste verleden van Irin raakt rafelig verweven met dat van Albert. Pristina steekt perfect gepolijst in elkaar, maar daardoor valt extra op dat Heijmans soms te veel wil en overbodige motieven heeft laten staan. De plots opgedoken serveerster Sonja bijvoorbeeld. Of wat gebeurt er met de smartphone van Albert die eerst ‘potsierlijk’ aanwezig is en vervolgens helemaal niet meer wordt genoemd? Het zijn details, vast met zorg geplaatst, maar ze hadden met evenveel zorg kunnen worden geschrapt.

Als verslaggever voor de Volkskrant heeft Heijmans een specialisme in ‘minderheden en asielzoekers’ ontwikkeld en die kennis én ervaring maken Pristina tot een rijk boek, één waarin de werkelijkheid dicht onder de inkt ligt, al vormt deze verslaggeversblik evengoed een valkuil: de afstand overheerst.

Heijmans is iets te veel kapitein gebleven, met volledig overzicht, zoals Hero Zeelen, die de veerboot naar het eiland vaart en vanuit de stuurhut de hele zee overziet. Had Heijmans iets meer van het tollende ik-perspectief uit Op zee in het thematisch grootse Pristina kunnen voegen, dan was de tocht onstuimiger, en nog indrukwekkender geweest.