De man die de heilige vader wilde troosten

Huib Oosterhuis, de onttovenaar van de Nederlandse katholieke kerk foto maurice boyer

‘Gevraagd naar de betekenis van kerkvernieuwer en religieus revolutionair Huub Oosterhuis, antwoordden veel katholieken lange tijd met veelzeggende anekdotes. Het waren vooral katholieken die, zoals dat in de jaren zestig heette, ‘niet mee konden komen’. ‘Der Papst hat geweint’ om Oosterhuis, zo werd in deze kringen gezegd.

Het was een verhaal dat legendarische vormen aannam. Het openbaarde in één zin het verdriet over de ontheiliging van de kerk die als een Efteling werd ervaren met de priester als ceremoniemeester en overigens ook als cipier, want het was niet alleen maar feest in de gezagsgetrouwe ‘gemeenschap van gelovigen’.

Dat de anekdote op waarheid berustte, kon destijds niemand vermoeden, en dat Oosterhuis aanbood in een persoonlijke ontmoeting de heilige vader te troosten, was al even onvoorstelbaar. Toch was dat het geval, zoals blijkt uit de onlangs verschenen biografie over de priester-dichter, geschreven door journalist Marc van Dijk.

Voorhoede

Het is in korte tijd het tweede boek over een van de hoofdfiguren van de katholieke vernieuwing. Eerder verscheen een opgetekende autobiografie van Oosterhuis’ leermeester pater van Kilsdonk. Daaruit bleek al dat het niet allemaal pais en vree was binnen de roomse voorhoede, een beeld dat door deze levensbeschrijving, voornamelijk gebaseerd op interviews, wordt bevestigd.

Maar belangrijker is dat duidelijk wordt dat de religieuze revolutie hier te lande in ‘de paus van Amsterdam’ een van haar belangrijkste leiders had. Oosterhuis was, in de woorden van een radicale bentgenoot ‘hun eigen bisschop’, voor zijn taak ‘geboren’ als het ware. ‘Met een staf in zijn hand en een mijter op zijn hoofd’ was hij de door de roomse wol geverfde dominante tegenspeler van de autoritaire kerk.

Hij werd de profeet en organisatiesecretaris van zijn eigen missie: de onttovering van de roomse wonderwereld. Hij schonk de gelovigen een nieuwe kerk (de studentenekklessia), een vormingscentrum (het leerhuis) en nieuwe gebeden en liederen. Uiteindelijk zou hij de hofleverancier worden van de ‘tegenkerk’, waar men voortaan liever ‘als je bestaat’ zong dan het ‘Te Deum’ en waar het ‘Magnificat’, de lofzang op Maria, werd uitgelegd als ‘een vroege Internationale’.

Van Dijk geeft in zijn intelligente, af en toe wat te welwillende biografie – want dat is het, ondanks enkele kritische kanttekeningen van vrienden van Huub – veel informatie over Oosterhuis. Zelfs het muzikale ontwaken van Tjeerd en Trijntje blijkt een onderwerp. De auteur laat echter vooral zien hoe zijn hoofdpersoon van braaf zevenjarig priestertje met speelgoedaltaar veranderde in de activistische ‘ziener’.

Oosterhuis groeide op in de hoogtijdagen van het roomse instituut, dat zijn ouders liefhadden, maar waar ze ook onder leden. God was de kerk en de kerk was het ritueel en de onverbiddelijke regel. Geloven betekende allereerst de voorschriften volgen, hoe genadeloos of onzinnig ze ook waren. Zo was er de trits dagelijkse zonde, doodzonde en wraak roepende zonde, en zo was er het leerstuk over het ongedoopt gestorven kind. Dat zou het paradijs nooit aanschouwen en blijven steken in het zogenoemde ‘voorgeborchte’, een soort rand voor de hel.

Moeder Oosterhuis had als goed barende katholieke huisvrouw drie van dergelijke weesjes van God ter wereld gebracht. Ze waren haar grootste zorg – tot op de dag in 1962, dat inmiddels priesterstudent Huub haar uitlegt hoe het zit, terwijl ze vlak voor een zware operatie over haar verloren zieltjes ijlt. ‘Ik heb goed nieuws voor je. De kinderen zijn in de hemel’, had hij gezegd. Weet je het zeker had ze gevraagd, ja, hij wist het zeker. Twee dagen later stond zijn moeder weer naast het ziekenhuisbed, helemaal beter.

Het is een van de sleutelmomenten in de biografie waarop helder wordt wat Oosterhuis beweegt. Het was de leerstellige bezwering geweest die zijn moeder het onaanvaardbare had doen aanvaarden. Magie en macht waren de twee handen op de ene roomse buik. De betovering moest verbroken, omwille van de bevrijding van de gelovigen.

Jezuïet

De verdere loopbaan van Oosterhuis laat zich lezen als een vervolg op deze gebeurtenis. De hiërarchische mis moest gedemocratiseerd, derhalve begon hij als Jezuïet op het Ignatius-college een eigen ‘dienst van het woord’. Het celibaat, de basis onder het vergoddelijkte priesterschap, moest opgeheven – dus trouwde hij met Josefien, een verpleegster en koorlid uit de studentenekklesia. In plaats van het Latijnse abracadabra kwam zijn geloofstaal over de ‘onkenbare ene’, en de catechismusles werd vervangen door een centrum ‘waar mensen worden verhelderd, zodat zij zichzelf onder ogen gaan zien’.

De vraag die in deze biografie niet gesteld wordt, blijft ondertussen of de gewone gelovigen eind jaren zestig zaten te wachten op alle veranderingen. De tijd van de pastoor als raadsman, op afstand van het echtelijk bed, maar met heel uitgesproken opvattingen over wat daar diende te gebeuren, was voorbij. De regelzucht op het persoonlijke vlak kon de gemiddelde katholiek gestolen worden, maar gold dat ook voor het ritueel?

Verkennend onderzoek laat op zijn minst ruimte voor twijfel. De verwachte algemene opleving van de kerk nieuwe stijl bleef uit omdat de persoonlijke betrokkenheid à la Oosterhuis voor de meeste kerkgangers een brug te ver was, concludeert historicus Maarten van den Bos in zijn proefschrift Verlangen naar vernieuwing. De gelovige hechtte doorgaans aan de priester met het boordje om, aan heiligenbeelden en de rozenkrans, oftewel aan enige toverij. Tegelijkertijd zong men in tal van kleinere kerken de liedverzen van Oosterhuis. Zijn boekjes en bundels behoorden tot het werkinstrumentarium van vrijwel ieder pastor, schrijft Van Dijk. ‘De kerk – of dat wat er nog van over is – dat ben ik’ had Oosterhuis kunnen zeggen.

Om met nog een indertijd gangbare anekdote te eindigen. ‘Wat hebt u toch met Mijn kerk gedaan, u hebt er een Oosterhuis van gemaakt’, zo zou paus Paulus VI de opperherder van de Nederlandse katholieken, kardinaal Alfrink, eind jaren zestig hebben voorgehouden. In wanhoop.