De dikke deur is fascistisch

‘De dikke deur’ noemden Brabantse schoolkinderen de kolossale draaideur naar de Statenzaal toen ze drieënveertig jaar geleden een rondleiding kregen door het nieuwe Provinciehuis in Den Bosch. Niet alleen de deur van 4000 kilo met dezelfde bijnaam als de circusdirecteur uit de kindertelevisieserie Pipo de clown was groot. Ontwerper Hugh Maaskant (1907-1977), die zich wegens zijn lengte van meer dan twee meter de ‘grootste architect van Nederland’ noemde, had alles groot en monumentaal gemaakt in het Provinciehuis, de trots van het moderne Noord-Brabant die in 1971 feestelijk werd geopend door koningin Juliana. Zo moesten Juliana en de andere feestgangers die van de grote vlakte voor het gebouw naar de ingang gingen, onder een angstaanjagende, dikke, betonnen luifel van 20 meter door. Met zijn hoogte van 103,5 meter was de eveneens betonnen kantoortoren van het Provinciehuis begin jaren zeventig het hoogste gebouw van Brabant.

Het Provinciehuis is het hoogtepunt van het oeuvre van Maaskant, die onder heel veel meer ‘iconen’ als het Groothandelsgebouw en de Euromast in Rotterdam, de Pier van Scheveningen en het Confectiecentrum (nu Fashion Center) in Amsterdam heeft ontworpen. Maar de kritische reacties op Maaskants magnum opus varieerden van zuinig tot ronduit vijandig. Vooral voor jonge, marxistisch angehauchte critici was de monumentaliteit van het Provinciehuis reden om het ‘repressief’ en zelfs ‘fascistisch’ te noemen, schrijft de architectuurhistorica Michelle Provoost in Hugh Maaskant. Architect of Progress, de Engelstalige en uitgebreide versie van haar proefschrift uit 2003. Een van de uitbreidingen is een foto-essay van de tegenwoordig onvermijdelijke architectuurfotograaf Iwan Baan. Hij heeft ook een foto genomen van de Statenzaal van het Provinciehuis, met een half geopende dikke deur.

Voor de criticus Arnaud Beerends waren de dikke deur en alle andere monumentale dingen in 1970 reden om het Provinciehuis te beschouwen als een uiting van ‘een totalitaire en hiërarchische manier van denken.’ Zes jaar eerder hadden critici juist veel lof voor Maaskants stadhuis in Hazerswoude, de kleinere broer van het Provinciehuis, schrijft Provoost. Toen zagen ze in de openheid van het ook monumentale stadhuis een metafoor voor modern, transparant en democratisch bestuur.

Wat was er gebeurd? In de tussenliggende jaren waren Nederland en de Nederlandse architectuur grondig veranderd, legt Provoost uit. Babyboomarchitecten, vaak opgeleid door de ‘small is beautiful’-profeet Aldo van Eyck die zelf ook gebouwen die hem niet bevielen al gauw fascistisch noemde, waren aan hun loopbaan begonnen en zorgden voor een ommekeer in de architectuur. Modernisme, en zeker het monumentale modernisme dat Maaskant vanaf het begin van zijn loopbaan in de jaren twintig had gepraktiseerd, raakten uit de mode. ‘Modernisme was passé’, schrijft Provoost in het laatste hoofdstuk van haar schitterende monografie waarin ze de belangrijkste gebouwen van Maaskant niet alleen gedetailleerd bespreekt, maar ook glashelder in een groter, internationaal verband plaatst. ‘Anonieme volkshuisvesting, grootschalige kantoorbouw, cityvorming en toenemend formalisme kwamen onder vuur te liggen.’

En juist in al deze dingen excelleerde Maaskant, zo heeft Provoost dan al uitgebreid laten zien. Maaskant was volgens haar geen uitgesproken politieke architect die met zijn werk de wereld wilde verbeteren. Hij was een netwerker die goede relaties had met industriëlen en bestuurders. Hij was de eerste Nederlandse architect die tot de jet set behoorde en graag cocktail parties bezocht. Wel geloofde hij heilig in de vooruitgang en alles wat daarbij hoorde, zoals Amerika, auto’s en massatoerisme. Hij ontwierp niet alleen hotels en andere gebouwen voor Amerikaanse bedrijven als Hilton en Johnson Wax, maar ook overheidsgebouwen, scholen, flats en niet minder dan 15.000 rijtjeshuizen. En niet te vergeten fabrieken, een gebouwentype waar veel moderne architecten ondanks hun bewondering voor bijvoorbeeld de Fordfabrieken van Albert Kahn in Detroit hun neus voor ophaalden. Vooral in Brabant bouwde Maaskant er vele tientallen, zoals de fabriek voor typemachinefabrikant Remington in Den Bosch en die van de Nederlandse huisraadfabrikant Tomado in Etten-Leur. Provoost wijdt er een prachtig hoofdstuk aan waarin ze laat zien hoe Maaskant van zijn fabrieken altijd lichte, open paleizen van de vooruitgang maakte. Zo werd Maaskant dé architect van herrijzend Nederland die in 1971 op de mestvaalt van de architectuurgeschiedenis dreigde te belanden maar nu weer wordt bewonderd door architecten als Rem Koolhaas, Willem-Jan Neutelings en Winy Maas.