‘Auschwitz moet onbegrijpelijk blijven’

De Zweedse schrijver Göran Rosenberg ondernam een zoektocht naar zijn vader. Die overleefde Auschwitz, maar pleegde vijftien jaar later zelfmoord.

Schrijver Göran Rosenberg: „Dit is geen boek over het grote lijden.” FOTO KAROLY EFFENBERGER

‘Als er iets is wat dit niet is, dan is het een boek over Auschwitz”, waarschuwt Göran Rosenberg aan het begin van ons gesprek bij zijn uitgeverij in Amsterdam. „Daar zijn er al ontelbaar veel van. Dit is geen boek over het grote lijden.”

Wat is Een kort oponthoud op de weg van Auschwitz dan wel? „Een boek over mijn vader, geschreven vanuit het perspectief van een kind, dat hem terug probeert te vinden in zijn herinnering, maar nog niet weet hoe het met hem afloopt. Ik wilde niet dat de afloop het verhaal zou belasten. Zo ontstond direct de toon van het boek. De kunst is dat dan tot het einde vol te houden.”

Görans vader, David Rosenberg, wordt op 20 augustus 1944 vanuit het getto van Lódz op transport naar Auschwitz gesteld. Op dat transport zit ook zijn buurmeisje Hala, op wie hij verliefd is. De Duitsers zijn de oorlog aan het verliezen en de industrie heeft dringend slaven nodig. Daarom wordt David niet vergast, maar met enkele honderden anderen geselecteerd als dwangarbeider voor de Büssing Werke, een vrachtwagenfabriek in Braunschweig.

Zo begint zijn ‘weg uit Auschwitz’ en overleeft hij de oorlog. Na lange omzwervingen langs doorgangskampen stapt hij op 2 augustus 1947 uit de trein in het Zweedse stadje Södertälje – de weinige Poolse joden die nog in leven zijn, hebben geen vaderland meer. Na wanhopig wachten lukt het Hala te laten overkomen – ze zagen elkaar voor het laatst op de Selektionsrampe in Auschwitz-Birkenau.

David gaat werken bij vrachtwagenfabriek Scania, die in de oorlog groot werd met de levering van pantservoertuigen aan de Duitsers. Hala en hij krijgen twee kinderen. Op 22 juli 1960 verdrinkt David zich in het meer bij de psychiatrische kliniek waar hij is opgenomen. De hoop dat de horizon zich zal openen, is de bodem ingeslagen. Göran is dan twaalf jaar.

Een kort oponthoud leent zich slecht voor een korte opsomming van de inhoud, was de tweede waarschuwing die Rosenberg gaf. „Dit is geen sentimenteel boek, geen fictie. Ik wilde niemand woorden in de mond leggen, niemand gedachten in het hoofd planten, want zoveel van wat er is gebeurd, blijft onbegrijpelijk. Dus gebruik ik feiten als middel om het verhaal te versterken. Als ik schrijf over de gaswagens van Chelmno, graaf ik alle statistieken en getallen op die ik kan vinden, omdat ik niet weet hoe ik dit gegeven anders te lijf moet gaan. Dit verhaal moet onbegrijpelijk blijven, want als we het rationaliseren, bevrijden we ons van de ontzagwekkendheid.”

Hij gebruikt het woord awesomeness en zegt: „It has to be there in its darkness.”

Naoorlogse draaikonterij

Wat doet Rosenberg dan met die taal? In het angstwekkende hoofdstuk over de rol van Chaim Rumkowski, de voorzitter van de Joodse Raad in het getto van Lódz, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Over de joodse politie valt veel te zeggen, maar de trein wacht ook op hen’. De naoorlogse draaikonterij van de directeur van de Büssing Werke, die niet geweten zegt te hebben dat lijken van afgebeulde slaven in papieren zakken het terrein van zijn fabriek werden afgereden, becommentarieert hij zo: ‘De weg van Auschwitz is bezaaid met dit soort onbeschaamdheid, moet je weten, van mensen die eerst zeggen niets gezien of gehoord te hebben en in elk geval niets met de zaak te maken te hebben gehad en die zichzelf vervolgens voorhouden tegenstander te zijn geweest van iets wat ze gezien noch gehoord hebben’.

En als zijn vader in 1956 in aanmerking probeert te komen voor ‘Wiedergutmachung’ (smartegeld) van de Duitse staat, concludeert vertrouwensarts dr. Herbert Lindenbaum: ‘Die Krankheit ist in dieser Hinsicht als Rentenneurose aufzufassen.’ Rosenberg schrijft: „Voor zover ik begrijp, schrijft dokter Lindenbaum dat je ziek bent omdat je uit bent op compensatie, niet omdat je Auschwitz hebt overleefd’.

„Chaim Rumkowski”, zegt Rosenberg, “was in veel opzichten een problematische figuur. Hij organiseerde het getto van Lódz als een eigen koninkrijkje met fabrieken, politie, bestuur en maakte het daarmee belangrijk voor de Duitsers. Feit is dat het getto bleef bestaan tot augustus 1944, terwijl de meeste andere al waren geliquideerd. Dat van Warschau ging al een jaar eerder kaputt. Daardoor waren de 70.000 joden uit Lódz zo laat in de oorlog nog in leven. Feit is dat de meeste Poolse joden, die Auschwitz hebben overleefd, uit het getto van Lódz afkomstig waren. Zoals mijn vader.”

De volgende schakel in de keten van absurde toevalligheden die David het leven redde, was de concurrentie tussen de Duitse industrie die geen arbeidskrachten meer over had en de vernietigingskampen die de opdracht hadden de joden te doden.

„Die concurrentie is goed gedocumenteerd en bestond bijvoorbeeld ook in het getto van Lódz, waar commandant Hans Biebow vanwege persoonlijk gewin de zaken wilde blijven runnen, terwijl de SS-machinerie de joden opeiste omdat ze vermoord moesten worden. Waarom ze daarmee tot het einde zo fanatiek zijn doorgegaan, zal wel altijd een van de vele mysteries over het nazisme blijven.”

Nieuw voor Rosenberg was de enorme omvang van de Goelagarchipel aan werkkampen in Duitsland zelf. „Elke stad in Duitsland had werkkampen en hun slaven werden uitgehongerd door de steden heen en weer gemarcheerd. De Duitsers kunnen niet volhouden dat ze dat niet hebben gezien.”

Ook Büssing Werke had twee werkkampen. Later, op zijn reis naar Zweden, belandt David ook nog in kamp Wöbbelin bij het stadje Ludwigslust, waar de geallieerden de Duitsers dwongen langs de opgegraven lijken te lopen om te zien wat ze hadden aangericht.

Joden aanbieden

De volgende toevalligheid die het lot van David Rosenberg bepaalde, waren de curieuze onderhandelingen die SS-Reichsführer Heinrich Himmler aan het eind van de oorlog voerde met de Zweden. Door joden aan te bieden probeerde hij zijn eigen huid te redden. Zo kwam het dat Göran uiteindelijk als Zweed ter wereld kwam. Het kleine Södertälje leek het paradijs. De Zweedse welvaartstaat, werk, een eigen huis en een Volkswagen. Maar David kon zijn draai niet vinden. De horizon was te beperkt. „De stad was te klein om aan te ontsnappen”, zegt Rosenberg. „Hij kon zich er niet van losmaken. Misschien was het hem elders beter vergaan. Ik geloof niet in noodlot. Dit is een boek over beperkingen, maar ook over het leven. Dat wil ik benadrukken: het gaat niet over de dood.”

Dat juist Södertälje een moderne boomtown was die verdiende aan de oorlog bevalt de schrijver wel. In de oorlog waarschuwden de kranten van Södertälje al voor de komende economische ‘vredescrisis’, of, zoals Rosenberg schrijft: ‘een forse conjunctuurdaling zodra de kanonnen zijn verstomd’.

„Dat schokt mij in het geheel niet”, zegt Rosenberg. „Als je midden in een oorlog zit, denk je dat die oorlog het centrum van de wereld is. Maar vlak bij gaat het leven gewoon zijn eigen gang. Mensen amuseren zich, eten een goed maal, bedrijven de liefde. Zo is het overal en altijd geweest.”

Voor de overlevenden was dat niet te bevatten. Zij waren ten prooi gevallen aan een vreemde mengeling van schuldgevoel, verdringing en dadendrang. „In de jaren vijftig had niemand nog gehoord van oorlogstrauma’s of concentratiekampsyndroom. Mensen dachten: waarom ben ik nog in leven? En ze moesten hun gevoel van eigenwaarde hervinden. Alle overlevenden hebben vernederingen van de ergste soort doorstaan. In Auschwitz werd je door de nazi’s gereduceerd tot ongedierte. De overlevenden konden zich niet voorstellen dat de wereld gewoon deed alsof er niets was gebeurd. De paradox was dat zijzelf eigenlijk niets liever wilden dan alles vergeten, maar niet konden accepteren dat de rest van de wereld dat ook deed.”

Door het schrijven van Een kort oponthoud heeft de zoon zijn vader teruggevonden. „Tot mijn vreugde was hij precies zoals ik hem in herinnering had. Hij was een hele lieve man, maar een vechter was hij niet. Hij zou Auschwitz nooit hebben overleefd zonder zijn broer, die hem net op tijd de juiste rij in trok. Hij was grappig, intelligent, heel goed met zijn handen, heel scherp van geest. Maar hij miste agressie en overlevingsinstinct.” Een van de Duitse vertrouwensartsen die David onderzocht, rapporteerde: het lijkt erop dat meneer Rosenberg zijn verleden verbergt. „Dat klopt”, zegt de zoon. „Hij wilde niet overdrijven, niet sentimenteel zijn en zeker geen mensen vervelen met zijn leed.” Dat laatste heeft hij overduidelijk doorgegeven aan zijn zoon.