Alle grote romans zijn biseksueel

Het kan onmogelijk een goeie dag in het leven van Tash Aw geweest zijn, ergens in februari vorig jaar. Dat was namelijk de dag waarop hij Moshin Hamids Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië? onder ogen zal hebben gekregen. Zijn eigen roman Vijf sterren miljardair zou niet veel later verschijnen. Dat het onderwerp kennelijk in de lucht hing – nieuw geld in Zuid-Oost Azië – was tot daar aan toe, maar dat de opzet van Hamids roman ook nog eens vrijwel dezelfde was als die van zijn eigen nieuwe boek moet hem minstens één slapeloze nacht hebben bezorgd. Zowel Hamid als Aw vertellen namelijk het verhaal hoe je rijk kunt worden in Azië met het taalgebruik van een ‘zelfhulpboek’.

Hamids verhaal is dat van een ‘jij’ die in Pakistan financieel succes nastreeft. Bij elk hoofdstuk geeft hij een tip, zoals ‘trek naar de stad’, ‘wees bereid geweld te gebruiken’ of ‘doe de schuldendans’. Allemaal leiden ze tot een gebeurtenis in het leven van deze Pakistaanse Elckerlyc. Aw heeft niet één Elckerlyc, maar vijf. Verder is de opzet vrijwel identiek. Ook Aw zet bij elk hoofdstuk tips waarna een inzichtelijk verhaal volgt: ‘Streef naar winst, vergeet integriteit’; ‘Bereid je in tijden van vrede voor op gevaar’ om twee hoofdstuktitels te noemen. En ook hier gaat het over de moeizame weg van het opbouwen van een succesvol bestaan in Zuid-Oost Azië. Een leven dat dus niet bestaat uit het je neerleggen bij werken in een fabriek, maar uit het verwerven van rijkdom en respect – want die twee schijnen ook daar onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn.

Hamids roman werd overal lovend ontvangen. Recensenten constateerden dat de schrijver zijn belofte waarmaakte. In NRC Handelsblad (05.04.2013) kreeg Hoe word je stinkend rijk… vijf waarderingsballen. Hamid schreef namelijk een intelligent en geestig boek. Tash Aw deed dat ook. En al is hij iets minder geestig, hij is wel weer ambitieuzer.

Lichtvoetiger

Geld is op het ogenblik een aansprekend onderwerp: John Lanchester schreef Capital, Martin Amis zijn Lionel Asbo en Tom Lanoye recent nog Gelukkige slaven. Toch zijn de verschillen tussen de Aziatische benadering van geld en de westerse evidenter dan de overeenkomsten. Terwijl Lanoye en Amis hun personages rustig de afgrond in laten wandelen en zich kwaad maken over de gang van zaken, zijn Hamid en Aw eveneens nietsontziend, maar ook lichtvoetiger en ironischer.

Bij de Maleisische auteur Tash Aw is het decor Shanghai, waar vijf personages in figureren. Zo is er het fabrieksmeisje Phoebe dat alles aanneemt om hogerop te komen, die namaak merktasjes koopt om aanzien uit te stralen en die hard op zoek is naar een man met geld. En dan is er de jonge Taiwanese zanger Gary, die vanuit het niets opeens succes krijgt na een optreden voor een talentenjacht op de televisie. Wie snel klimt moet diep door het stof om er in het beste geval weer bovenop te komen.

Verder is er Justin, die voor zijn rijke familie probeert te beleggen in vastgoed terwijl zijn familie financieel aan de grond raakt. Hij is een oude bekende van Yinghui, een succesvolle zakenvrouw met kortgeknipt haar – iets waarmee je sowieso geen partij kan vinden in Shanghai – die nodig aan de man moet volgens haar vrienden, maar die alles op de verkeerde man inzet. Allemaal hebben ze een tweede kans nodig: Phoebe wordt van haar namaak merktasje met al haar bezittingen bestolen na een internetdate; Gary slaat een westerling in elkaar en zijn carrière lijkt ten einde; Justins plannen mislukken en het beste contact heeft hij uiteindelijk met een ontslagen fabrieksmeisje dat niets anders doet dan slapen en rode bieten-ijs eten; Yinghui faalt voor de tweede keer in het zakendoen nadat ze eerst een bar heeft laten floppen. In die bar werd haar lot bepaald door een gefnuikte liefde en vage spreuken op de muur zoals ‘Liefde is elkaar beledigen’ en ‘Alle grote romans zijn biseksueel’. Dit keer is het de miljardair Walter Chao – het personage dat als enige in de ik-vorm wordt opgevoerd en degene die de lezer van de ‘praktische’ zelfhulpboekentips voorziet – die haar een loer draait.

Natte was

Chao is behalve een kortbenige zakenman ook de auteur van de ‘bestseller’ Geheimen van een vijfsterrenmiljardair. Hij wil koste wat het kost iets groots nalaten en de mensheid blij maken met een megalomaan cultureel project waar hij Rem Koolhaas als architect voor heeft bedacht. Zijn introductie aan het begin van Aws roman is veelzeggend genoeg: ‘Enige tijd geleden besloot ik dat ik ooit schatrijk zou zijn. Daarmee bedoel ik niet gewoon in goeden doen, maar onvoorstelbaar schathemelrijk, zoals alleen kinderen zich rijkdom kunnen voorstellen.’ Hierna volgt de tip aan de lezer, die als achtjarige wellicht nog niet bezig was met het opbouwen van een imperium: ‘Grijp je tweede kans. Een derde kans krijg je bijna nooit.’

Dat is precies wat de andere vier doen. Ze komen naar Shanghai omdat ze bijvoorbeeld willen loskomen van het benepen leven in Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië, waar je kennelijk nog niet dood gevonden wilt worden. Echt hoge eisen stellen de vier gelukzoekers niet aan het leven: ze willen gewoon een beter bestaan, los van familie en armoede. En dat bereik je dus door een geheel nieuwe identiteit aan te nemen, geld te verdienen en een man te zoeken.

Hoewel deze immigrantenlevens elkaar alleen af en toe raken, staan ze toch vooral op zichzelf. Er is weinig hoop voor de immigrant, en misschien sowieso voor wie vanuit het niets een bestaan wil opbouwen in Shanghai. Mooi is bijvoorbeeld hoe Aw de eerste woning van Phoebe omschrijft. Met alle fabrieksmeisjes woont ze in een flat dat vooral naar natte was ruikt. Heel veel meer ruimte voor alleen een bed is er niet, licht is er nauwelijks en dat is allemaal tot daaraantoe. Wat vooral zo treurig stemt is het gebrek aan solidariteit. De meisjes vinden elkaar niet in hun lot, maar gaan de strijd om te overleven aan. En dat is uiteraard alleen weggelegd voor de sterksten en de sluwsten.

Vijf sterren miljardair is niet zo goed als Hoe word je stinkend rijk…, maar het is ook goed, en vooral heel veel beter dan Aws vorige romans. Er is geen sprake van de kitsch die zijn eerste twee boeken – over het Maleisië van 1940, en over de jaren zestig in Indonesië – nogal ontsierde. In zijn vorige boeken ging het altijd zeer nadrukkelijk om een queeste waarbij alle traditionele onderdelen van een initiatierite gepresenteerd werden alsof een roman schrijven slechts een kwestie van een invuloefening was. Daarvan is deze keer geen sprake.

Vijf sterren miljardair plaatst zich in een jonge traditie van mooie romans over de grote – in dit geval Aziatische – droom, waarvan de bubbel volledig uiteenspat. Er blijft desondanks hoop, zij het maar een beetje.