Vincents boeren eindelijk thuis

Het Noordbrabants Museum in Den Bosch kan dankzij bruiklenen eindelijk een goed beeld geven van de Brabantse tijd van Van Gogh.

De enige echte Van Gogh van het Noordbrabants Museum: Spittende boerin (1885, 50,5×38,5cm)

Vincent van Gogh hoort bij Brabant. Die boodschap wil het Noordbrabants Museum overbrengen in de expositie Het Verhaal van Brabant, die zaterdag opent. In een nieuwe zaal van 850 vierkante meter geeft het museum een overzicht van zes eeuwen kunst- en cultuurgeschiedenis aan de hand van historische voorwerpen, kunstobjecten en audiovisuele presentaties. Voor Van Gogh (1853-1890), geboren in het Brabantse Zundert, is een apart paviljoen ingericht, waarin negen schilderijen van hem bijeen zijn gebracht. Ook voor Jheronimus Bosch (1415-1516) en tijdgenoten is er een paviljoen.

Het Noordbrabants Museum heeft in de eigen collectie één Van Gogh, Spittende boerin, en twee in langdurig bruikleen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Daar komen nu zes schilderijen bij: vier uit het Van Gogh Museum, één uit het Rijksmuseum en één uit een particuliere collectie. Het museum krijgt ze in langdurig bruikleen. Mochten ze tussentijds toch teruggetrokken worden door de bruikleengevers, dan komen er andere doeken voor in de plaats. Zo kan de tentoonstelling langdurig blijven staan, in principe minimaal vijf jaar.

De doeken laten goed Vincent van Goghs fascinatie voor het Brabantse boerenleven zien. Hij werkte in twee periodes in Brabant. Als beginnend schilder had hij weinig geld en trok daarom in bij zijn ouders, eerst in Etten (1881) en later in Nuenen (1883-1885). Zijn vader was pastoor en liet in Nuenen de mangelkamer naast de pastorie ombouwen tot werkruimte voor zijn zoon. Het Noordbrabants Museum heeft een schilderij daarvan, De pastorie te Nuenen bij avond, achterzijde (1885) van een particulier kunnen lenen.

In zijn eentje of met zijn vriend, de schilder Anthon van Rappard, trok Van Gogh erop uit om boeren en de wevers in de omgeving te tekenen en te schilderen: boerenwoningen, het boerenland, boerenkoppen en voorstellingen uit het boerenleven. De schilderijen uit die periode zijn veel donkerder dan de felgekleurde doeken die hij een paar jaar later maakte in Parijs en Zuid-Frankrijk. Maar ook in Noord-Brabant maakte Van Gogh al gebruik van contrasten in licht en donker en paste hij de kleurtheorieën toe. In een audiovisuele presentatie in het museum zijn het verschil in kleurgebruik, maar ook de overeenkomsten in thematiek te zien. Uit zijn Parijse periode is een vroeg Zelfportret met pijp (1886) te zien, geleend van het Van Gogh Museum.

Van november 1884 tot mei 1885 werkte Van Gogh aan een groter schilderij in Nuenen, het doek dat later bekend kwam te staan als De aardappeleters. Voor dit werk maakte hij vele voorstudies. Zittende boerin met daagse muts (1885), dat vanaf zaterdag in het Noord- brabants Museum te zien is, is mogelijk ook zo’n voorstudie.