‘Traditionele opera haat ik’

Van de nieuwe baritons is Florian Boesch (42) de minst bekende. Zijn carrière begint eigenlijk nu pas. Opvallend: zijn diepe stem en rebelse interpretaties. „Ik ben lastig te vermarkten.”

Florian Boesch als Tiridate inRadamisto van Händel, in het Theater an der Wien (2013). Boesch doet weinig opera’s: „Een productie moet wel heel goed zijn om de langdurige afwezigheid bij mijn gezin te rechtvaardigen.” Foto Monika Rittershaus

Met de romantische liedkunst is het raar gesteld. Singer/songwriters zijn booming, maar klassieke recitals met liederen van Schubert en Schumann – zo niet de Mount Everest van het lied dan toch in elk geval een voedingsgrond – zijn het elitair domein van een vergrijsd publiek.

Maar niet als het ligt aan de Oostenrijkse bariton Florian Boesch (42). Lievelingsoneliner: Das ist mir Wurst. Wat niet geldt voor het lied: dat is juist zijn grote passie. Waarmee meteen ook het enige conventionele aan Boesch is genoemd. Zijn liedinterpretaties zijn zo compromisloos expressief dat Schuberts vreugde en pijn echt de zijne lijken, en daarmee (even) de jouwe worden. Zijn stem – een warme, ronde en technisch volmaakt geschoolde bas-bariton – helpt daarbij.

Boesch had als kind vijftien jaar lang celloles, maar zwierf het liefst door de natuur. „Toen ik twaalf was, hoorde ik acteur Oskar Werner gedichten van Goethe en Schiller reciteren op een grammofoonplaat. Dat was een beslissende ervaring. Dat je je door literatuur zo begrepen kunt voelen. Pas vijf jaar later, toen ik die ballades allang uit mijn hoofd kende, hoorde ik ook de zettingen van Schubert, Schumann en Carl Loewe. Dat er zoiets bestond, een genre waarin literatuur, muziek en lijfelijkheid samenkomen! Maar ik heb nog lang om het zelf zingen heen gedraaid. Ik dacht dat ik beeldend kunstenaar zou worden.”

Zijn vader, bariton Christian Boesch, en zijn oma, de in 2012 overleden coloratuursopraan Ruthilde Boesch, waren de reden dat hij pas op zijn 27ste naar het conservatorium ging. „Mijn vader zong om het publiek te behagen. Dat deed hij op zich heel goed. Maar ik vind die benadering oninteressant. Ik zing om uit te drukken wat ik echt voel. Als dat roert: mooi. Niet? Ook goed. Ik ben verteller, geen entertainer. Vaak hoor ik dat juist dat een jonger publiek weer aanspreekt. Dat wat ik doe echt is, en daardoor ook wat minder formeel.”

Late bekering

Zijn late bekering verklaart misschien een beetje waarom Boesch behalve een van de opmerkelijkste liedbaritons van het moment, ook een van de minst bekende is. „Maar ik ben ook lastig te vermarkten.”

Zijn beroemdere stem- en generatiegenoten Christian Gerhaher en Matthias Goerne zingen niet beter, maar zijn wel traditioneler in hun interpretaties. „Gerhaher sluit naadloos aan op de uitvoeringstraditie van grote zangers als Dietrich Fischer-Dieskau”, zegt Boesch. „Daar is een groot publiek voor en hem gun ik dat ook: Gerhaher is een heel integere zanger.”

Dat een criticus hém ooit de ‘anti-Gerhaher’ noemde, vindt hij desondanks geen belediging. „Wat werd bedoeld – hoop ik, althans – is dat ik zing vanuit mezelf. Ik hoor soms jonge zangers aan wiens maniertjes je binnen vijf maten bespeurt wie hun helden waren. Dat is afgrijselijk. Wie ben jij, vraag ik me dan af.”

Als hij niet zingt, wijdt Boesch zich thuis in Wenen of op het Oostenrijkse platteland aan bouwen en smeden, zijn liefhebberijen. „Laatst nog: een bureau voor mijn vrouw. Nu werk ik aan een motor, die ik ombouw vanuit louter esthetische criteria. Als ik erop wil rijden, krijg ik zeker een boete. Maar dat is me worst.”

Boesch’ eigenzinnigheid wordt weerspiegeld in zijn agenda, die opvallend weinig opera-engagementen bevat. „Traditionele opera haat ik, en sowieso moet een productie wel heel goed zijn om de langdurige afwezigheid bij mijn gezin te rechtvaardigen. Maar áls muziektheater echt goed is, dan is het ook het mooiste wat er is.”

Evenzeer compromisloos: de keuze voor cd-label Onyx, een klein label. „Maar daar ben ik tenminste zelf artistiek eindverantwoordelijk. In lied is de pianist net zo belangrijk als de zanger, maar de naam van de zanger staat normaal altijd veel groter gedrukt. Dat vind ik onaanvaardbaar oneerlijk. En ik geloof ook niet dat ik bij een groot label meer cd’s zou verkopen. Maar voor de volledigheid: ze hebben me nooit een voorstel gedaan.”

Op zijn nieuwste cd zingt Boesch Schuberts Die Schöne Müllerin, een cyclus van 24 liederen over een molenaarsgezel die verliefd wordt op de dochter van zijn meester, die op haar beurt de jager verkiest. Het slotlied, Des Baches Wiegenlied, wordt doorgaans opgevat als een post mortem. „Maar daar denk ik anders over”, zegt Boesch. „Volgens mij gaat die jongen helemaal niet dood aan liefdesverdriet. Mijn verklaring vind ik in het voorlaatste lied, Der Müller und der Bach. De beek zegt daar dat er een nieuwe ster aan de hemel zal blinken, dat er drie rozen zullen bloeien en dat de engelen hun vleugels zullen afsnijden om naar de aarde af te dalen. Met andere woorden: get a life jongen, liefdesverdriet gaat over en dan komt er weer een nieuw liefje: geen hand vol maar een land vol.”

Op de letter

Zijn mening, lacht hij, is nog niet bevredigend weersproken door deskundigen – hoevelen hij er ook over aansprak. „Het onbevredigende is dan dat veel collega’s zeggen er nooit zo op de letter over te hebben nagedacht.”

Morgen zingt hij de cyclus in het Amsterdamse Muziekgebouw, in een experimenteel opgezet programma: na de pauze volgt uitleg aan de piano en is er ruimte voor vragen. „Dus als iemand het beter weet, is dat zijn kans.”