Pete Doherty is nu sober, maar het vuur is helaas gedoofd

Nu hij tegen alle verwachtingen in ouder aan het worden is, lijkt Pete Doherty steeds meer op een onhandige corpsbal verdwaald in de rock-’n-roll. Modehuizen kleden hem in overhemden die hem twee maten te klein zijn, en hij heeft een buikje en biertieten. Zijn band Babyshambles kent weinig meer van de opwinding die Doherty in 2002 bracht met The Libertines. Hij werd een chronische junkie die overal te laat kwam en die tijdelijk in de nabijheid van topmodel Kate Moss verkeerde. Ook daar maakte hij een zootje van.

Pete is clean, luidt de boodschap nu, maar wat koopt een vol Paradiso daarvoor als de muziek zo knullig klinkt en de zanger een wankele parodie op een frontman is geworden? Toch heeft hij veel krediet. Damien Hirst ontwierp de hoes van Babyshambles’ recente derde album Sequel to the Prequel en Smiths-producer Stephen Street liet die plaat zo hier en daar nog heel aardig klinken. Live op het podium is Doherty overgeleverd aan zijn huurmuzikanten, die ervan maken wat ze kunnen tegen het veelkleurige Hirst-decor.

Nothing comes to nothing, zong Doherty al vroeg in de set. Mislukken als rockzanger past in het scenario van een Arthur Rimbaud van de indiepop, gedoemd om kortstondig te vlammen en aan twee kanten op te branden. De romantische antiheld trekt nog steeds een wild springend publiek en zong als een beschonken pubrocker zijn hits Killamangiro en Fuck Forever. Vals, wezenloos en zonder een spatje van het vuur dat ooit als brandende kerosine uit zijn teksten gutste.